Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op dit verbeeldings-element had hij reeds vroeger nadrukkelijk gewezen en het uitvoerig ontleed in zijn kroniek op de Verzamelde gedichten van Albert Verwey, waar hij in de teekening van den lyriscben dichter, den nerveuzen gevoebge, zichzelf beschrijft:

„Als een acteur die zoo van zijn rollen houdt, dat hij zijn, leven in tooneelkleeren doorgaat, allen zóó verblindend, door de waarheid zijner gebaren en het gevoel zijner stem, dat wie met hem spreken, meenen dat d&t zijn natuurlijk toilet is, zoo laat de lyrische dichter van zich zeiven zich zelf aan de wereld zien, in figuren van verbeelding, die hij heerlijk en groot maakt, met het schoonste dat hij weet. Daarachter zit de naakte en hulpelooze stervebng, die alleen met zich zelf leeft, in de donkere diepte, en die sterk door de meesterpassie van zelfbehoud, strijdvaardig staat tegen al wat hem leehjk wil, hem, het altijd lijdende, het nooit rich zelf gelijke, maar immer wisselende menschdier, de speelbal van het leven en zijn eigen blind noodlot, dat hij zich zelf schept in zelfonbewuste grootheid en wijsheid, daar hij rich zelf zoo vreeselijk klem en onwetend gevoelt. Zóó is onze arme en eUendige menschelijkheid, maar, o, wie daar kunstenaar is, hij heeft de macht om rijn hoogste stemmingen, rijn meest geëmotioneerde en verbeeldingsvolle oogenbbkken, die toppen van rijn bestaan, die de meest karakteristieke en tegelijk de meest blijvende zijner Ikheid rijn, vast te houden en te bestendigen in de muziek zijner woorden, en hij laat zoo, hoven al het getob van zijn daaglijksch leven, de beste opkleuringen van zijn vluchtige zelf opschitteren als standbeelden van gloed tot bewondering der menschen, als allerhoogste schijn, die toch eigenlijk ook, voor ons armzabg menschenverstand, de eenig verkrijgbare waarheid is. Of zoude er geen waarheid zijn in verbeeldingen, zóó werkebjk, dat zij, geworden uit vbegende stemmingen, toch ons werkelijk leven veranderen en kunnen gelijk maken aan bare schoonheid" »).

Er is nog een tweede plaats waar Kloos het wezen van den lyrischen dichter beschrijft, alsof hij beoordeelaars van de toekomst wilde waarschuwen door duidelijk aan te geven waarin de lyricus van andere menschen verschilt. Ze komt voor in rijn kroniek over Hélène Swarth2):

„Het groote levensbeginsel, dat den lyrischen dichter maakt, is dat bij altijd zichzelven ziet, en in alles öm hem slechts zichzelven riet.

Zijn uren gaan op en neder in een ordelooze warreling, die tot fantasieën worden, van fantasieën die hem een stemming zijn*. Want

1) Veertien J. L. G. II, 120.

2) Veertien J. L. G. II, 108 vlgg.

Sluiten