Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doodsverlangen, soms droomend en dwepend, dan in toorn donderend.

Zoo vindt men hier alles wat zijn hart bewoog aan vreugde en droefheid, aan vertwijfeling en verrukking, aan eerbiedig-vereerende befde en stil verontwaardigde hooghartigheid, terwijl een enkele maal de roes der zinnen hare ontembare dithyramben zingt. Men mag dus uit de verzen niet besluiten tot bepaalde gefixeerde karaktertrekken van den dichter, waartoe een nuchter lezer die zich in het psychisch geval niet verdiept (en zoo zijn de meesten!) zich allicht zal laten verleiden; b.v. een groote ijdelheid en neiging tot zelf-verheffing. We herinneren aan de gebroken affecten, hierboven vermeld (blz. 122) en wijzen nog eens nadrukkelijk op wat we noemden het acuut-lyrische karakter der verzen, die fantazieën zijn op de voortdurend wisselende momenten van hevige gevoebgheid.

De Liefde en de Poëzie, dat zijn de thema's die Kloos' verzen van vóór 1893 doorloopend beheerschen. Ze zijn vol van de hartstochtelijke en verheven gevoelens die rij in hem hebben gewekt.

De Poëzie, de Kunst, is voor hem „de strengste en hefehjkste aller levensmachten"; „eene Vrouw fier en geweldig, die tot bloedens toe ons de doornen in het voorhoofd drukt, opdat er de eénige kroon der onsterfelijkheid uit ontbloeie"; de Liefde, de onbarmhartig-wreede, ongenaakbare en onweerstaanbaar-demonische Macht, die de arme menschen in zwijmelend verrukken aan rich bindt, onvervulbare verlangens in hen wekt en slechts troosten kan met den dood. Beiden laten hun geduchten, betooverenden invloed gelden, maar ten slotte is de Poëzie hem het liefst, omdat rij alleen een zuivere genieting schenkt en de ellenden van het leven voor een wijle vergeten doet.

Slot-opmerking.

Nu we het ideale karakter van Kloos' poëzie hebben vastgesteld (de nadere bewijsvoering volgt), is reeds van te voren (dus vóórdat we de eigenlijke verzen nagaan) afgerekend met een geheel averechtsche opvatting, welke verkondigd is door den heer Roel Houwink in zijn boekje „Inleiding tot de hedendaagsche Nederlandsche Letterkunde" (1932). Na gesproken te hebben over Kloos' „kritieklooze zelfvergoding" (wat geheel onjuist is; we zullen het later bewijzen), vervolgt hij: „daarnevens brandt en woelt in rijn verzen gansch een vuurstroom van jarenlang onderdrukte en versmoorde zinnelijkheid". En hij besluit met het signaleeren van „panische verrukkingen" en een „overschuimende beker der zinnen-vreugden tot den bodem geledigd". Dit

Sluiten