Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23. Dood-gaan II:

„Ik zal mooi dood-gaan, als een vlammend vuur",

Zooals een vlammend vuur, vóór het uitgebluscht is, eens nog opflikkert in zijn schoonsten gloed, zoo zal hij nog zijn schoonheid geven een korte poos. Zalig is dat turen naar de eigen gedachten, die zich alle schikken naar zijn hoog Bestuur.

Hij geniet de heerlijkheid van den kunstenaar en is nu ongevoelig voor zijn aardsch lot.

24. Het Leven (3 gedichten):

„Menschen zijn wijs, en met een wijs gelaat"

De menschen vinden hem een zonderling; hij moest doen als de anderen, vinden ze. Welnu, hij heeft hen geloofd, is zoet en stil geweest en heeft zich zeiven weggegeven. Toen werd hij versnieten, opgeofferd voor een menschengril.

25. Het Leven:

„Als 't latere geslacht dees woorden leest",

Hij voelt in de Pers en in „het beest" Beschaafd Publiek, zijn vijanden die om hem lachen en een groot gevoel niet begrijpen. Daarom raadt hij de teêrhartigen aan, hard en koud te zijn, anders zullen ze later geen raad weten van ellende.

26. Het Leven:

„Die menschen, (arme menschen!) zijn zoo klein:"

De banale menschen zijn tevreden onder elkaar, maar hij is bever eenzaam: ééne lieve en simple melodie is meer dan een wijf en een vriend.

Doodsliedjes (27—32)

Het zijn bedjes, geen sonnetten, zacht geneuriede bedjes over den aanstaanden dood, in een herfststemming van stilte en nevelen.

Pathologieën (2 gedichten)

33. „Mijn oogen branden, Met felle randen,

De klokken luien, luien mij uit —".... Dit en het volgende:

34. „Des menschen hoogste smart is wonderbaar"

treffen door hun suggestieve klankplastiek. Beide zijn ze als angstige droomen van een koortslijder. De herhabng van sommige vocalen, woorden en rhythmen, doet denken aan het zeurend

Sluiten