Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54. Geglimlach:

„De menschen dóen, maar weten niet waarom".

Tegen de halfheid van de banale menschjes die maar zoo'n beetje glimlachen.

55. Evoë:

„De ga mijn leven in orgieën door"

De roes en de vlucht naar het Niet-zijn. Hierover zie boven, blz. 58. Tot zoover gaat de jaargang 1889.

Jaargang 1892—1893

56. „Wee mij dat ik geen ziel op aarde vond",

Hij vraagt vergeving aan de Eene Sckoone, Reine, Goede, de eerste ziel die hem de Muze zond, dat hij ooit die befde heeft geschonden:

„Vergeef mij dat ik ooit die befde moede U haatte, daar Ge als ik niet wezen konde".

Dit is geschreven in een meer bezonken toestand, toen kij rustig kon oordeelen over de oorzaak van kun verwijdering: een nieuw bewijs voor het oogenblikkehjke van de lyrische uitingen.

57. „Ik wil niet zeggen dat ik sterven zal"

Hij voelt ziek aan die eerste gebefde nog altijd verbonden: „Mijn ziel werd door uw ziel uit nacht geheven In 't bcht dat beiden tot één ziel versmolt, En mag nu hoog in Uwen luister zweven".

De gedachte aan haar houdt hem nog staande. Wanneer zij gestorven is, dan wacht hij gelaten den nacht van den dood of den nog duisterder nacht van het leven.

58. „O, vrouwe, ik weet niet of de sterren weenen", L

Dit sonnet heeft Kloos geschreven in het album van Henriëtte Perk, een zuster van Jacques.

59. Phoibos Apolloon:

„De lag en weende om droomen, die vervlogen" Als hij'weent om vervlogen droomen verschijnt hem, als een

befdevolle trooster, Apoüo en leidt hem binnen in het koor van

zijn dienaars:

Zij zijn bereid: Hij treedt hen heerbjk voor, Die naar Zijn goden-gang bewondrend staren, En zingend schrijden in Zijn glanzend spoor.

Sluiten