Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veling van het miezerige stadje, is hier treffend weergegeven. De dichter verlangt naar Amsterdam: „daar ia beschaving, Caves, Bodéga, Beerebijt en Pschorr".

81. „Ga niet voorbij, maar blijf bij nuj, en voel, Wat Ik voel in het diepst van dit mijn wezen".

Zonder haar is de wereld zoo leeg en koud, dat hij wenscht om weg te wezen in het land des doods. Want hij is bang voor het „doodsch gewoel des levens, dat in kringen ronddraait geduriglijk".

82. „Liefde is een macht van lief-zijn en 't begeeren Om zelf een beetje lief-gedaan te wezen".

Voor hem bestaat dit geluk niet, want alle bef heid die hij schonk, werd voor hem een onverdiende straf.

83. „O, laat mij tot uw voeten komen".

Drie 6-regebge strofen, een zabg droomen in vergetelheid van verdriet.

89. Ad inimicos. zie boven, blz. 80.

„Ik hield den spiegel van uw zonden op".

90. „Ik, ik, die heerlijk door dees tijd koom zweven".

Hij is de „diep van de glorie van een droom vervulde", die sterven gaat. (z. b. blz. 81).

91. Ik ga mijn leven in orgieën door. Waarschijnlijk van 1889.

Door een vergissing is dit tweemaal opgenomen. Het is hetzelfde als No. 55, dat we reeds vroeger hebben vermeld. Zie boven, blz. 58.

92. „Gij stapt met toornig opgestreken zeilen", Waarschijnlijk van 1889.

Tegen Verwey, den „Schoonheids opperman". Zie boven, blz. 60. Het komt reeds voor als No. 50.

93. In Memoriam Mr. A. D. de Vries. Obiit 8 Febr. 1884. „O, klaagt om 't jonge leven, met één slag Gesloopt, en zooveel hope en al zijn droomen".

Er is in dit sonnet een flauwe weergalm te hooren van Shelley's Adonals, den lijkzang op Keats: „O, weep for Adonals!" Ook door de wending bij de terzinen, met de woorden „Klaagt niet — wij allen wenschten ons uw lot", dat is, in volle kracht te worden weggedragen, zooals Mr. de Vries, wiens ideaal, de Waarheid, steeds meer werkelijkheid zal worden.

Sluiten