Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk XI — OVER DEN STIJL DER SONNETTEN

I

DE RHYTHMISCHE VORM

VAN deze verzen zijn altijd sommige als bizonder schoon beschouwd. Natuurlijk kan dit niet bggen aan hun conventioneele technische volmaaktheid. Ook niet aan hun meer oppervlakkige ontroeringskracht; we bedoelen die, welke gelegen is in het menschehjk affect, het sentiment van befde, wanhoop, trots, deerniswekkende rampzabgbeid of iets dergehjks dat er vorm heeft gekregen; want de meerdere of mindere emotionabteit doet evenmin iets toe aan het poëtische gehalte als de meegedeelde fabula. Het is iets diepers en iets zeer geheimzinnigs hetgeen de zuiver-poëtische aandoening veroorzaakt. Het is een onbeschrijfbare geest, „de adem der poëzie", de mystieke vormgevende kracht die óók ontroering is, maar een ontroering, geheel verschillend van die welke in het dageUjkscbe leven door tranen en snikken een uitweg zoekt. Zij, die meer subtiele, aesthetische, ontroering, kan niet anders dan adelen wat zij aanraakt, omdat zij uitvloeiing is van die aUerdiepste krachten in de menschenziel, waarin het Boven-wezenbjke zich erkennen doet. Zij, als het graal op de tafel van Jozef van Arimathea, stoot alles af wat onzuiver is; zij duldt geen wanklank, geen valschen toon; zij sticht die weldoende harmonie en gebonden eenheid, welke een verademing is bij de verwarrende veelvuldigheid van het leven, zelfs wanneer het pijnlijke, het schokkende en schrijnende haar aanleiding moet zijn. Zij is tevreden, soms, met heel eenvoudige woorden en doet er alles mee, maar versmaadt daarom de beeldspraak niet, wanneer deze haar werkebjk van dienst kan zijn. De woorden die zij kiest en de rhythmen

Sluiten