Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo heeft Kloos (en met hem Jacques Perk) het nieuwe vers gebracht, waar onze letterkunde nog altijd op wachtte -■).

De versregels en de strofen volgen elkaar niet meer in strakke, onveranderhjke regelmaat en vorm, naar den trant van Potgieter, Beets en andere dichters van het vorige geslacht (herinnering aan den tijd dat het lied zich richtte naar de maten van de begeleidende zangwijs); neen: in overeenstemming met de omstandigheid dat de poëzie een onafhankelijke kunstvorm is geworden, volgen de versregels en de strofen elkander in eigen vrije beweging, die echter nimmer tot onrhythmische tuchteloosheid ontaardt.

Daarom schreef hij in zijn bespreking van een bundel poëzie van Pol de Mont *): „De opeenvolging der klanken in kunne eigenaardige, individueele combinatie vormt, te zamen met de plaatsing der accenten, den rhythmus van het vers. Daar iedere aandoening, iedere kleinste beweging van het gevoel bij fijn georganiseerde naturen hare eigen rimpebng heeft, zal dus ook iedere goede versregel zijn eigenen slechts voor hem passenden rhythmus doen hooren".

Ziehier het recht op vrijheid gevindiceerd, welke eigenhjk niets zanders is dan gebondenheid, niet aan een schoolsche wet van traditie, ' maar aan de mysterieuze zangstem van het eigen ontroerde Binnenst. Hiermede hangt samen dat Kloos een even verklaarde vijand is van den stijf-mechanischen dreun der zoogenaamde gladde verzen als van de stijllooze ongebondenheid die leidt tot bet schrijven van verzen die geen verzen meer zijn, aangezien in beide gevallen die eigen psychische zangstem óf afwezig is óf niet voldoende tot uiting komt. Ik citeer uit een van zijn kronieken 8):

„de grootste vrijheid van vers-maat, die de Tachtigers in de kunst brachten, alleen omdat zij hun verzen neerschreven, zooals zij hen inwendig gehoord hadden, en niet met koel verstand en volgens uiterhjke voorschriften, gebjk de schoolgeleerden het hadden bevolen om te doen, die grootere mate van individuëele expressie, die tegenwoordig aan den dichter gegund wordt, dreigt thans bij de jongeren een enkelen keer te verbasteren tot onharmonischen vers-bouw en slordigheid tout-court. ttk vind het goed daartegen te waarschuwen, want al is het

1) De vernieuwing die zij brachten doet denken aan die van Leigh Hunt, Keats en Shelley, toen zij omstreeks 1816 het metrische heroïsche vers van Pope door hnn vrijere maten vervingen.

2) Veertien J. Lit. G. I, blz. 158.

3) Zie Letterk. Inzichten en Vergezichten V (Nieuwe Liter. Gesch. X), blz. 192 vlg; naar aanleiding van verzen van den heer Werkman en anderen.

Sluiten