Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik bèn een Gód in 't diépst van mijn gedachten En zit in 't binnenst van mijn ziél ten tróon Over mij zélf en 't al, naar rijksgeboon Van éigen strijd en zége, nit éigen krachten, —*)

Vers 1 en 2 zijn als oude Germaansche verzen met vier heffingen; vs. 3 heeft de heffing op de eerste lettergreep wat aan Over een pregnante beteekenis geeft.

En als een héir van dónker-wflde machten Joelt aan mij óp en valt terug, gevlóón Voor 't heffen van mijn hand en héldre króón: Ik bèn een Gód in 't diépst van mijn gedachten.

De drie dakngen aan het begin van het tweede kwatrijn, versnellen ket tempo en versterken het accent op Jieir; dit symbobseert het woedend-snel aanstormen van de vijandelijke machten, dat zijn hoogtepunt bereikt in het buitengewoon zware en hooge accent op Joelt van vers 2 a). De pauze achter terug maakt voelbaar den afstand die ontstaat tusschen den dichter en de vijandebjke machten, wanneer ze snel wegvluchten. Dit snel vluchten zit niet alleen in de logische beteekenis van het woord „vheden" maar ook in ket enjambement naar den volgenden regel.

De voornaamste woorden hebben behalve den heffings-nadruk nog het rebëf van de allitteratie (heffen, hand en heldre). Ten slotte voelen we het vaste, hooge zelfbesef in de stevige omsluiting van de twee kwatrijnen door één en denzelfden versregel.

Bij de terzinen komt de wending; kun geluid, vergeleken bij dat van de kwatrijnen, is een stil snikken, een stamelen, met een paar hartstochtelijke accenten in vs. 2 en 3: Uw en 'luid üitsnikkendè". De drie keffingen op ket participium (twee zware en een bekte in afnemende kracht) en de pauzen voor en achter zijn in hooge mate plastisch.

Men lette verder op de wijze waarop Kloos het oude beeld van Zeus en de vijandige Titanenmonsters tot nieuw leven beeft opgeroepen om over rijn verguizers zijn trots en verachting uit te storten; maar meer dan dit beeld beteekent de rhythmische pracht van dit koninklijk sonnet.

1) Met het accent ' geef ik een zwakkere, met ' een sterke en met" een zeer sterke heffing weer.

2) Ik wijs op het juiste inzicht van Prof. G. S. Overdiep: Hevig is vooral de nadruk op een Vf (den Persoonsvorm van het gezegde) als eerste heffing in het enjambement" (Beknopte Ned. Versleer, 141).

Sluiten