Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door het enjambement van „vasten" op „stap" en den stevigen, rustigen spondae: „Stap naast" wordt de logische gedachte van adjectief en substantief bizonder gelukkig klank-plastisch ondersteund, evenals de gedackte te wankle te meer uitkomt door bet, met betrekking tot het sterk beklemtoonde dZ, Weifelend-zwak khnkende wöordgeluid.

13.

O, dat ik haten moét en niet vergéten! O, dat ik minnen moet en niet vergaan!

De hevige ontroering, de drift van den hartstocht, wordt onmiddellijk en sterk aangegeven door het rhythme en dit wint nog aan krackt door de herhaling. Prachtig is de ommekeer bij de terzinen. Het tempo verrustigt en wordt baast-een fluisteren:

Eén hoop sléchts, één, één énkel zóet verméenen, Eén weten, maar ik kan ket niet gelooven ....

In ket eerste vers volgen tot en met ket woord enkel niet minder dan zes beffingen, zware en bchte, elkander op; aldus:

Eén hoop sléchts, eén, eén énkel....

en dit bracht, mét de pauzen, het langzaam-nadrukkebjke te weeg dat de dichter heeft beoogd.

68.

O, de begeérte naar geniéten machtig Dréunt door mijn trótsche Kchaam als een hamer, Klóppende-óp uit haar dónker-küle kamer WéUust, die skep, op 't wékkings-uür aandachtig.

Hier zijn de hevige, ongeduldig opdringende accenten het geluid van een onbedwingbaren hartstocht. Overal, het heele sonnet door staat voor aan de regels een beffing, met daarop volgend de versnelling van de twee dalingen, een versnelling die zich op andere plaatsen telkens herhaalt, als uitdrukking van de stuwing der emoties. De beide eerste verzen tellen vier heffingen; een afwijking van de jambische maat. Daar de tijdsduur tusschen de heffingen de zelfde is, volgen dus in- een zeer snel tempo drie dalingen op elkander in beide regels,

Sluiten