Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dichtschool, duidelijk, krachtig en dikwijls inderdaad eenvoudig en nauwkeurig — ik zal ket aantoonen —, heeft gezegd wat men hier te lande niet meer te beseffen bleek; alsof er aanstellerij en ij delheid zat in het nadrukkelijk verkondigen van vergeten waarheden, met het doel de poëzie van haar dwaalweg terug te voeren, en alsof het niet den hoogsten lof verdiende, die waarheden langzamerhand de algemeene erkenning te hebben verzekerd, welke alle lessen van hooggeleerde docenten met elkaar niet in staat waren geweest haar te bezorgen. En als tweede voorbeeld: Waarom moest een jonger, met apostolische neigingen vervuld kriticus 1), Kloos' uitstekend werk als „lagere kritiek" stellen beneden de „hoogere kritiek": de essays van Carlyle en Emerson? Alsof Kloos zijn meer bescheiden, maar o, zoo noodzakelijke taak van zuiver-literair kriticus niet uitnemend kad volbracht en de profetenmantel hem niet bespottelijk zou hebben gestaan!

In deze beide gevallen vertoont zich de fatale en verdoemelijke neiging van ons klein-Hollanders om, met volkomen voorbijzien van het belangrijkste, in casu het gemeenschappelijk toegewijde werken voor een onzer voornaamste geestelijke goederen: de bteratuur, te vallen over nietigheden en weg te werpen wat niet precies in de eigen kraam te pas komt.

Kloos zelf was anders. Zijn kritiek zocht op de eerste plaats naar bet goede om dit te waardeeren, ging niet uit van moraal, vroeg niet naar iemands meeningen, maar naar zijn kunnen als dichter, zijn vermogen om „het nog niet omschreven diep menschelijke" op een ontroerende wijze in beeld en rhythme vorm te geven. Toch had hij met al de oprechtheid en ernst van zijn karakter, zijn kennis en poëtisc&en smaak, nooit zijn uit-stekende plaats kunnen veroveren, indien zich daaraan niet gepaard had het gezag van zijn kunstenaarschap. Hij was Dichter en verraste door een eigen prozastijl — variatie van den stijl van Potgieter en Huet — welke tot luisteren en bewonderen dwong. Alvorens den vorm van dit proza te beschouwen, moeten we eerst iets zeggen van den inhoud.

II

DE INHOUD

De theoretische denkbeelden in de Kronieken van Veertien Jaar Literatuurgeschiedenis

Door over het wezen van de kunst, inzonderheid de Poëzie, na te 1) Dirk Coster.

Sluiten