Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongeveer slechts en niet volkomen hunne eigene stemming weergaven. Dit misbruik nam telkens meer toe, en men ging eindelijk de beeldspraak beschouwen niet als een subjectieve uiting van een in exaltatie verkeerende verbeelding, maar als een bestaanden taalschat, die ieder ten dienste stond; een materiaal, waarvan ieder mocht afnemen, om er meê te zeggen wat hij te zeggen had; iets feitelijks, niet iets symbolisch. Ook nieuwe „dichterbjke uitdrukkingen" werden, buiten aUe fantasie om, naar analogie van de reeds bestaande gemaakt. En door de kracht der traditie en den allengs bedorven smaak van het pubbek werd het zelfs talenten, die voor iets beters bestemd waren, te moeilijk, zich aan de sleur der mode te ontworstelen. Men moest zoo schrijven, op poene van niet gelezen te worden. De dichterlijke taal was geboren.

De wereld is zoo oud, en iedere bteratuur heeft den last van zóó vele voorgaande literaturen te dragen, dat natuurlijk geen enkel tijdvak der letteren geheel en al aan dien demon ontsnapt. Bij ons heeft hij, sinds Vondel en Hooft, zonder genade geheerscht" *).

Kloos toont dit aan, o.a. bij Da Costa, om dan over te gaan tot zijn onderwerp, met de inleidende woorden:

„De opperste incarnatie van de dichterlijke taal zetelt in de canzonen van Mr. Joan Bohl".

Ik behoef niet alle plaatsen aan te balen, waar Kloos in zijn bespreking van gedichten dit belangrijke punt behandelt. Ik wijs op zijn beoordeeling van Hofdijk (Veertien J. L. G. I, blz. 184) en De Promethens van Aischulos, vertaald door Dr. Burgersdijk (blz. 53), om te eindigen met de scherpe karakteristiek van den rhetoricus, in zijn stuk over Mr. Vosmaer's Gedichten (Deel II, blz. 62):

„De dichter die ziet. Een rhetoricus ziet niet, een rhetoricus schikt. Een rhetoricus, die schrijven gaat, zegt niet de schoone dingen en hun onderbnge gelijkenissen, die hij zag en gevoelde om zich henen of in de wereld van zijn verbeelding, frisch en oorspronkebjk; een rhetoricus rangschikt en combineert en vervormt de beeldspraak en de rhetorische figuren, die uit den schat van het door vroegere dichters zelfgeziene en gezegde, langzamerhand stabiel zijn geworden en verdord tot een dichterlijke taal.

Neen, de rhetoricus ziet niet, maar daar is ook geen rhetoricus die hoort. Wél de groote bewegingen van zijn opgewonden ziel, wèl het breed zwaaiende gebaar van den hartstocht die naar buiten slaat, daarvoor is hij ontvankelijk en die vindt men dan ook dikwijls in zijn

1) Wat hier niet nader kan worden toegelicht is, dat Kloos (als Wordsworth c.s.) hier een aesthetisch beginsel der Renaissance bestrijdt.

Sluiten