Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door eenige citaten, geen denkbeeld kunnen geven van den aard, den stijl, de compositie, noch van den inhoud dezer opstellen. Er valt niet aan te denken, ze stuk voor stuk te ontleden. Dit zou vervelend worden en evenmin den ge wenscht en indruk wekken. Men moet dit proza zelf lezen; dan zal men genieten van zijn geest en bevalligheid, zijn kracht en treffende raakheid en vooral ook van de doeltreffende wijze waarop hier met het middelmatige is afgerekend en het goede in het juiste licht is gesteld. Ik doe enkele grepen.

Reeds in de vroegste stukken, die van 1879 tot 1883, toont de jonge Kloos zijn grooten kritischen aanleg. Drie ervan doen ons duidelijk zien welk een kloof er gaapte tusschen het oude en jonge geslacht, en hoe een jongere met duidelijkheid wist uiteen te zetten waarin hij en de zijnen het met de toonaangevende ouderen nooit eens zouden kunnen zijn.

Engheid in literaire opvattingen werd scherp en soms ironisch bestreden in Lilith en de Gids (1879), Alberdingk Thym gerechtvaardigd, en Iets naar Aanleiding van Lina Schneiders Frauengestalten der Griechischen Sage und Dichtung (1880); het eerste was een aanval tegen den invloedrijken Charles Boissevain, hoofdredacteur van het Handelsblad, de beide laatste waren gericht tegen hoogleeraren van naam: Alberdingk Thym en Naber. We hebben het opstel over LUith en dat over Lina Schneiders Frauengestalten al besproken, gezien, hoe Kloejs' verhouding was tot de klassieken en welke gerechtvaardigde bedenkingen hij had tegen de klassieke filologie zooals die in Amsterdam door professor Naber werd gedoceerd.

Aan die vrijmoedige kritiek keeft de hoogleeraar zich natuurlijk gestooten en dat hij Kloos in 1884 op zijn candidaatsexamen negerde, kan, behalve aan Kloos' wegblijven van de colleges ook mede hieraan zijn toe te schrijven.

Van 1881 is het artikel Herinnering en Hoop, Gedichten van J. Knoppers W.Kzn. (en over Honigh).

Hier zien we den kriticus spelen met zijn slachtoffers als de kat met de muis. De arme „dichters" worden begraven onder zijn spot en .... ze verdienden het. Aanknoopend aan een beoordeebng van BuskenHuet, die de verzen van Honigh (een Gids-redakteur) „frisch", „keurig" en „echte poëzie in haar soort" had geprezen, schreef Kloos deze geestige kritiek, welke neerkwam op een vernietigend vonnis: „Het noodlot wil het zoo, dat de HoUandsche dichters telkens dichter dreigen te worden, maar bet nooit zijn". „Huet, de koning der Nederlandsche kritiek, ziet dit in en daarom prijst hij den heer Honigh, omdat hij hierin zoo echt Hollandsch is".

Willem Kloos. 12

Sluiten