Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo laat zich verklaren wat de fijne Frans Erens eens over Kloos' proza heeft gezegd: „Maar ik wil nu niet spreken over de beteekenis en de waarde van Kloos' gedickten. Anderen mogen die vaststeüen. Voor mij-persoonhjk valt op de eerste plaats aan zijn proza mijn bewondering ten deel, en dat vooral, omdat wij in Nederland weinig proza-schrijvers hebben van den eersten rang. Op dien rang zetelt nog altijd als eerste met zijn scherp-hoekige uitdrukkingswijze de stoere Marnix van St-Aldegonde en kort bij hem Hooft, de stroeve stijlverwant van Tacitus. Doch niemand is den Ciceroniaanschen volzin zoo dicht genaderd als Kloos in zijn rhythmischen periodengang" x).

Laten wij nu nagaan, in hoeverre de genoemde eigenschappen: helderheid, deskundige oprecktkeid als waarborg voor de waarheid van zijn betoog, kieschheid of vernietigende kracht, geestigheid en rhythmische of beeldende plastiek, in Kloos' proza worden aangetroffen.

De Helderheid. De kelderkeid van de zegging moge in enkele opstellen nog niet overal ket lezen tot een genot maken, tengevolge van een sporadisck voorkomend moeilijk te ontwarren logisck verband of een te ingewikkelden periodenbouw, b.v. in de eerste bladzijden van Iets over Kritiek en iets over Poëzie en die van de beroemde Voorrede van Jacques Perk's Mathilde; in het algemeen pakt de lectuur der kritieken en kronieken omdat Kloos klaar en kort, puntig en precies zegt wat kij zeggen wil.

Waarheid, kieschheid, kracht in de beoordeeling. We kennen Kloos' opvatting van kritiek: „Een goed kriticus zijn, dat is: eerbjk en wijs zijne ziel blootleggen, zoo eerbjk en wijs, dat men de eerbjkheid en wijsheid van de besten beschaamt. Een goed kriticus zijn is niet: dezen ontzien en dien sparen, omdat deze zoo'n brave huisvader is, en gene zich zoo aangenaam in gezelschap beweegt; niet: aarzelen en meesmuilen en huichelen, maar: lachen en schreien en denken, door de boeken, en dan zijn indruk meêdeelen, met een stijl als een klok" *).

Dat Kloos met zijn kritiek de waarkeid getroffen keeft, behoett niet te worden aangetoond, daar de tijd zijn oordeelen heeft bevestigd. De dichters die hij heeft afgemaakt zijn niet weer levend geworden, de geprezenen zijn algemeen erkend.

Toon en stemming van de kritiek hingen af van het object. Kloos vond dat voor ieder bepaald soort van dichters ook een bepaald soort

1) N. Gids, Mei 1929, bbs. 553.

2) Veertien Jaar Lit. G. II, 60.

Sluiten