Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weldigende smart; die onbuigbare waskracht en het streven naar wijsgeerige levensverdieping zijn karakteristiek voor onzen dickter:

Ik ben de Zoeker naar ket Nooit-Bebaalde. Ik ben de Strever naar het Ware Zijn, Ik ben de dronkene van 's Levens Wijn, Die wonderbjk-kracktig mijn spieren staalde,

Wen ik, als onverschrokken duiker, daalde Tot in de krockten van ket Diepste Zijn, Waar ik dan uit meebracht een luttel grein Waarheid, die, klaar gebjk juweelen, straalde.

Zoo begint het slot-sonnet, uit den tweeden bundel Verzen van 1902, een verzameling van de gedichten, die waren verschenen in de jaargangen 1894 tot 1899 van De Nieuwe Gids en waarin Nïeuwe Verzen van 1896 is opgenomen.

„Ik ben de Strever naar het Ware Zijn": — De wijsgeerige drang om het wezen der dingen te doorgronden begint zich nu kracktiger te uiten, nog méér in den derden bundel, welke de periode van 1900 tot 1913 omvat, om ten slotte, jaren later, in 1922 en na den dood van zijn vriend Wülem Witsen in 1923, in de Binnengedackten zich te ontwikkelen tot een kompleet füosofisck systeem. Het is de tegenpool van het hevig emotioneele in zijn karakter.

De Inkoud der Verzen.

Van den inkoud van dezen 2en bundel zal ik trackten een indruk te geven door eenige verzen, die ik als de belangrijkste beschouw, aan te stippen, te bespreken of aan te kalen.

Het onweer, dat in de scbimp-sonnetten van 1893 tot uitbarsting kwam, rommelt nog na. Een enkele maal valt er nog een zware slag, dreunt nog ket dreigement van woedenden kaat. Zoo in ket allereerste sonnet, waarmee ket boek begint:

Bbksmend zal 'k u ter-neer slaan als een beest, Beest gewelddadig, dat den toorn Gods aanschouwt,

Maar weldra klinken er de zackte stemmen van zelf-inkeer die vrede sckenkt met „ket beve leven", dat toch zoo raadsebg is en geheel afhankebjk van een geduckte, onzicktbare Mackt:

Sluiten