Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Gouden lantaarn-licht blikkert achter 't groen,

Waar 't week-bleek schijnsel van mijn lamp op gbmmert,

't Geblaerte wordt geslagen als met roên,

Wijl tak in staegen wind-dans öp tak timmert.

O, wie daar kon verklaren, wat zoo laat

Die stem daar bspt, die door de blaêren gaat....

Het raadsel van de natuur wekt de gedachten van het raadsel des levens, zooals b.v. ook in

105, LEVEN.

O, aldoor waait de wind maar over de aarde, Daarbuiten, 'k Zit hier bij de kalme vlam Der lamp en vraag mij: boe dit leven kwam, Waarom ons allen toch een moeder baarde?

Teekenend is het sonnet Nederland (173, lees 176) GLXXIII:

O, dat wijd-uitgestrekte dood-stil groeien Van vlakke weiden onder vale luchten, Waarover, weiflend, wolken-troepen vluchten, - Wijl langzaam-den-kop-bewegende koeien

Staan in het rondom-opene te loeien!

Flauw hoort men hikken der wereld geruchten

Meê met den wind

Een treffende natuur-beschrijving vinden we in 192, Stille Nacht door bet breede van zijn rbytbme en de oorspronkelijkheid van zijn beelding:

De zoete nacht, die langzaam gaat, schrijdt over de aarde Gelijk een weduwvrouw, in zware sluiers tijgend Met trage stappen naar dat graf, waar steeds op staarde Van ver haar oog, totdat ze er neerzonk, stil weg nijgend

Haar droeve hoofd. Zij spreekt niet.... neen .... de nacht is Als eene, ellendig, met onpeilbren rouw bezwaarde, [zwijgend. Doch die, nadat eerst de allerfelste smart bedaarde, Mijmert aldoor maar voort.... Maar o! als kalm-weg stijgend

Sluiten