Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Paschen der Vreugd (drie sonnetten) I:

Is dan de lucht niet heerlijk-blauw? Is 't klare Water niet glanzend in 't gestraal der zon? Is dan niet elk ding kier op aarde een bron Van diepe weelde voor wie vroondijk staren,

Ja, heerhjk is de natuur en ket leven zou sckoon zijn, zoo niet de gedackte aan den dood als een zware nevel streek over al wat groeit en bloeit en blinkt. Maar neen; Christus' sage heeft een diepren rin:

„Voor lach van kef de moest de Dood zelfs deinzen!" Daarom moest Christus de god der vreugde heeten: II:

Ja, toen de doodslach om die lippen speelde,

Wist elk, die opzag naar die foltring steik

Dat Hij geen God van smart was, maar van keil....!

III

Neen, Dood was geen verwinnaar!.... in stil juichen Sloot wel God's mond rich voor een oogwenk toe, Ging wel dat koofd, van 't langzaam sterven moê, Ziek naar den grond, als 't koofd eens dooden, buigen,

Wijl druppels bloed, en zweet ook, langs de ruige Lokken en baard ter neder vielen.... hoe? Ach! door de schrijningen van kroon en roê . . .. ! Maar ieder, die daar stond, kon klaar getuigen,

Dat, in een glorie emdloos-lumineus,

Gods zijn-zelf opvloog naar die bchte streken,

Waar hij zou heerschen als de Mensch-God heusch!

Christus, de God, voor wien al smarten weken, De Vreugde-Ckristus sleckts is God gebleken, En buiten dézen Christus bbjft geen keus .... !

Kerstfeest is de samenvattende titel van vier sonnetten.

Ook hier blijkt Christus een macht in het leven van den dichter.

Sluiten