Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedaan1^ dat Kloos, dertig jaren vroeger, in zijn kroniek over Van Deventer had aanbevolen:

„De oorzaak van dezen betrekkelijken stilstand in den vooruitgang der hteraire kritiek kan natuurlijk ten deele hieraan bggen, dat de literaire kunst in haar innerlijk wezen en haar uiterlijke verschijning aan onze hoogescholen eigenlijk-gezegd niet wordt gedoceerd. Want in de colleges, die bteratuur behandelen, volgt men de aloude gewoonte, om altijd naast de bteratuur te bbjven: en men spreekt er dus wel over tekstverschillen, manuscripten en historische feiten, maar de kunst, als kunst, wordt niet aangeroerd. Terwijl men, wilde men de echte, wezenlijke studie der bteratuur bevorderen, leerstoelen behoorde op te richten voor de werkelijke beoefening der bteratuur zelve, waardoor de leerbngen geleerd zouden worden te lezen, met onderscheid te lezen, en dat niet met hun verstandebjk-bedenkend hoofd, maar met hun geheele geestelijk-voelende en -ziende en -hoorende Zijn, leerstoelen, waar historie en grammatica werden beschouwd en besproken, als wat rij alleen kunnen zijn voor de bteratuur, nJ. nuttige hulpvakken, maar niet, zooals thans, als het voornaamste, het wezenlijke, waar de studie rich uitsluitend toe te bepalen heeft. Leeren-lezen toch, met rijn zinnebjk-geestebjke Zijn, met objectief gevoel en voorstelbngsvermogen en gehoor voor rhythme en klanknuance, en dat abes bovendien gebracht en gezien in verband met den inhoud, zoo'n leeren lezen en -verstaan is een nog noodzakelijker, onmisbaar vereischte voor iemand die kunstwerken beoordeelen wik dan of men alle mogelijke Uteratuur-geschiedenissen, en grammaire's, en aesthetica's en den inhoud-in-abstracto van alle hteraire kunstwerken zelve, doorgeploeterd had tot den laatsten zin' *).

Hoe Kloos deze gedachte: „goed lezen het abc van aUe kritiek en bteratuurbeoefenmg" verder uitwerkt, daarvan moge ieder rich overtuigen die het met sommige kritiek van onze dagen oneens moet rijn en de moeite wil nemen om de Nieuwere Literatuurgeschiedenis op te slaan. En Verwey? Hoe stond Kloos tegenover Verwey? Huet heeft eens geschreven dat bij zorgvuldig oppaste, zoo weinig mogelijk met schrijvers in aanraking te komen om geen gevaar te loopen, minder onbevangen te worden in zijn oordeel.

Zouden persoonlijke ervaringen van Kloos tijdens zijn omgang met Verwey schade hebben berokkend aan zijn onpartijdigheid? Zou er

1) Dr. Willem van Doorn onderwijst aan de Amsterdamsche Hoogeschool als lector de literaire aesthetiek.

2) N. L. G. V, 237—244.

Sluiten