Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behalve belangelooze eerlijkheid, nog begrip en fantasie noodig, m.a.w. bet assimilatievermogen van den waren kriticus, die eigen aanleg en voorkeur kan verloockenen. Misschien is dit voor dien tijd te veel geëischt. Het stof dwarrelde immers nog in wolken boven het slagveld, de kruitdamp was nog niet opgetrokken. Er was de onverdraagzame geprikkeldheid van tegenstanders, welke gemakkelijk verleidde tot onbillijkheid in beoordeebng. Wij, die buiten den strijd staan, kunnen de feiten kalmer beschouwen en hebben daardoor meer kans om den toestand te zien zooals die werkelijk was. Maar .... de scheeve voorstelling is post gaan vatten bij het lezend pubhek, bij beden die nooit een oog in Kloos' later werk geslagen hebben, en de onnoozelste H.B.S.er, de meest dilettantische cursist praat het verder, dat de dichter en de kriticus Kloos na 1894 ophielden te bestaan.

Ik zal mijn best doen, met volle handhaving van mijn kritischen zin, welke gebreken niet over ket koofd kan zien, deze onrechtvaardige oppervlakkigheid tegen te gaan en hreed-uitgemeten bezwaren tot hun juiste verhouding terug te brengen. Ik zal mijn best doen duidelijk te maken, dat het vonnis in zijn volstrektheid berust op partijdigheid of gebrek aan kennis en goeden wil. Waarom ik met zulk een zelfvertrouwen durf spreken en verwacht, dat althans de degelijke lezer ten slotte met mij instemmen zal? Omdat ik aanneem dat wie mijn verklaring van de figuur Willem Kloos tot dusver keeft gevolgd, voldoende zal zijn voorbereid en ingebcht om aesthetisch-zuiver en onbevooroordeeld ook den lateren Kloos, den dichter zoowel als den kriticus, te kunnen zien zooals kij inderdaad was. We moeten kern dan niet in stukjes snijden en naar een enkel stukje beoordeelen, maar alle détails zien in hun onderbng verband en als deelen van het Geheel, zoodat de mensck en de kunstenaar Kloos in kun kompleetkeid voor ons komen te staan 1). Ik keb dit hierboven trachten te doen bij de verklaring van zijn poëzie (waarin zijn persoonlijkheid immers het duidelijkst aan den dag komt) en naar ik meen bewezen, dat bij alle verscheidenheid één en dezelfde hartstochtelijke en uiterst-teêrgevoebge, maar ook sterke en logische geest spreekt uit zijn gedichten, en

1) Kloos had gelijk toen hij schreef in zijn kroniek: De heeren Poelhekke en Borel als critici, N. L. G., III, 122: „Laten de menschen mij in godsnaam in mijn geheel laten: ik ben evenmin vlekkeloos en evenmin onfeilbaar als eenig ander mensch op aard. Maar ik heb het recht te eischen, als ieder ander, dat ik gezien word en ook behandeld als een organisch opgegroeid geheel, en niet beoordeeld en daarna veroordeeld, naar een enkel détail, b.v. de manier waarop ik mijn hoed draag, of naar een zomersproet op mijn hand.

Willem Kloos. 16

Sluiten