Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sceptisch standpunt heeft ingenomen. Dit lag niet, zooals wij zagen uit het Maatschappelijk Credo, aan hartelooze onverschilligheid voor de „arbeidende klasse", maar aan zijn logischen geest, die zich niet door schóón-schijnende ideologieën het verschalken.

II. Als tweede punt van beschuldiging vernemen we de mededeebng dat Kloos ons in zijn kritieken de werken niet doet kennen. Nog eens, men vergete hierbij niet dat Gutteling dit schreef in 1907 en dat hij uitgaat van deel III en IV van de Nieuwere Literatuurgeschiedenis. „Hij verveelt den lezer met gruwekjk-saaie algemeene beschouwingen en het uiteenzetten van theorieën die overbekend rijn, en maakt rich met een halve pagina van een beoordeeling af". Als voorbeeld wordt aangehaald de kritiek op Benjamins Vertelbngen van W. L. Penning.

Dit lijkt een ernstige beschuldiging. Alleen, gruwelijk saai rijn de beschouwingen niet. Algemeen bekend mochten ze zijn, altijd voor de enkele ingewijden, maar er werd niet naar geschreven en Kloos had als kriticus den plicht, te herhalen wat in den wind werd geslagen, df hij herhaalde de bekende waarheid, om te laten zien, hoe er wèl naar geleefd werd. Waar is nu het gruwelijk saaie in de volgende levendig geuite en behartigenswaardige opmerkingen?

„Er wordt tegenwoordig" (Kloos schreef dit in 1898) „door Nederlandsche handen, almachtig veel geschreven in rijm en onrijm, en verzen zoowel als prozastukken verschijnen er bij de vleet. Dichtbundels doemen op en kritieken zetten schrap rich, en die allen zingen en verzekeren en oordeelen maar wild-weg door elkaar. Want wij hebben nu vele tijdschriften en tal van autoriteiten, en haast ieder van die heeren weet het beter dan de rest.

Toch zou men verkeerd doen, daaruit ket besluit te trekken, dat de oogenblikkebjke toestand der Nederlandsche letteren een bijzonder bloeiende moet worden genoemd. Want er wordt wel veel geschreven in gestadigen kadans en met gelijkluidende eindklanken, en er wordt wel veel beweerd, met klemmende gebaren, door ieder die een inktpot keeft, maar ik vraag het, wèl vriendelijk, doch evenzeer ernstig en op het geweten af: „wordt er door die allen, die de pen hanteeren en onophoudehjk doorschrijven, ook tevens iets gevoeld, of verbeeld, of gedacht?" Want dit moet toch wel duidelijk rijn en als een paal boven water staan voor ieder, die in waarheid gezond is van zinnen, dat kunst is, in den grond van haar mysterieus wezen, geen kwestie van woorden, maar in de eerste plaats van dingen, bebchaamd door die woorden, en dat ieder woord dat men neerschrijft, maar dat niet vertastbaart een stukje inwendig rieleleven, blijft wat het was: een

Sluiten