Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ja dubbel aangenaam worden wij door al dat innig-levende en leven gevende schoone getroffen, na voorveel zinledig en daarbij idioot onhandig gerijmel van den allerlaatsten tijd. De heer Penning is een krachtig en fijn en oorspronkebjk, een waarachtig dichter, en zijn hoek moet gelezen worden door ieder, die inderdaad beschaafd denkt te zijn. Hij is nog niet oud, maar zijn werk zal nooit en nimmer verouderen, want eckte gevoeldheid en klare ziening in vlekkelooze zegging hbjft altijd de waarde behouden, die zij hééft".

Van saaiheid is hier geen spoor; hoogstens zou het wat korter gezegd kunnen zijn en wat Kloos zegt is waar, behartigenswaard en helder uitgedrukt. Wanneer Gutteling beweert dat Kloos dikwijls weinig zegt van het werk dat hij beoordeelt, dan heeft hij gelijk. Kloos zou in zijn psychologische beschouwingen zich wat meer tot het gedicht zelf hebben kunnen bepalen, zich meer hebben kunnen richten op het verband tusschen de poëtische zmtuigbjkheden en de ziel die er achter zit. Maar Iaat men bedenken dat wat Gutteling schijnt te verlangen, het verstrekken van allerlei bizonderheden betreffende den inhoud en het bepalen van de dichtsoort waartoe het werk behoort, het kinderachtigste gedeelte van de kritiek moet worden genoemd. Evenals Valéry heeft Kloos altijd meer belang gesteld in het wezen der creatie, de wording van het kunstwerk, in het doorproeven ervan en daarna vonnissen, ten goede of ten kwade, dan in een uitvoerig uit elkaar pluizen van schoonheden en gebreken, een geduldig aanwijzen van eigenaardigheden en bijzonderheden. En ja — misschien is hij dan daarin als leermeester wel te kort geschoten, al zullen de vlugge leerlingen ook met zijn meer verzekerende dan onderwijzende kritiek wel kun voordeel hebben gedaan. Als Gutteling dan ook vraagt: „Weet gij nu, lezer, of de vertellingen in Siberië of in China spelen?" dan zou men kunnen antwoorden: „en al wist kij, dat niet Ckina of Siberië maar Schiedam en omgeving het tooneel der handeling was, wat had hij dan nóg aan die kennis? Zou die vermelding van iets feitelijks kern tot lezen aansporen, indien Kloos' warme bewondering het niet had gedaan? Zou de uitvoerigste stoffebjke inventaris van het gedicht hem iets nader hebben gebracht tot het wezen ervan, nl. het eigenlijk poëtische? Of zouden zulke mededeelingen hem niet veeleer er verder van hebben afgevoerd?"

In een kritiek op Roel Houwink's „Marceline" (N. G. 1931,1) (Een acteur van de toekomst) rechtvaardigt Kloos zijn methode, nadat hij het boek als echte kunst geprezen heeft, met de volgende woorden:

,Jk heb het nooit goed gevonden, precies den inhoud op te geven

Sluiten