Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gutteling dan heelemaal niet begrepen, waaróm Kloos' lofredenen op ie ideeënkunst van zijn tijd zoo uiterst zeldzaam zijn? De feiten hadden hem tot nadenken moeten brengen. De feiten zijn, dat Kloos hoegenaamd niets tegen gedackten en ideeën keeft, en ook niet tegen de ethiek. Eenige van zijn hevehngsdichters munten er door uit. Im Perk bewonderde hij reeds in 1881 „den gloed eener intellectueele passie, zooals ons tot dusverre nog slechts uit enkele gedeelten van Potgieters Florence kad mogen toestroomen" 1). Voor den intellectuabstischen en waaracktig-etkiscken Potgieter keeft kij altijd een diepe vereering gekoesterd want kij zag in kern een ongemeen kunstenaar. Robert Browning, ideeënkunstenaar bij uitnemendheid, heeft hij bef. Zijn beeltenis hangt niet voor niets aan een der wanden van zijn boekvertrek. Voor Shelley, die ook zeker niet vreemd was aan ideeën, koestert hij een genegenheid die meer is dan een stille piëteit, die weinig minder is dan adoratie! Van Eeden kan hij als den lyricus van enkele verzen zeer waardeeren, maar kooger stelt hij hem als den dichter der wijsgeerige gedachte (Het Lied van Schijn en Wezen). Den meest gedachtenrijke der 17de-eeuwers, Constantijn Huygens, is kij hartelijk gezind: „Huygens redeneert ook veel in zijn verzen, maar kij doet het met een scherp-treffende gratie, die ons niet zoo loodzwaar op de ziel blijft liggen, en waardoor hij zijn schrander-spitsen geest ver boven den beganen grond verheft" a). Denken we dan nog aan zijn onverdackte befde voor de groote dramaturgen van Griekenland, voor Skakespeare, Milton'en veranderen, dan zal ket wel duidelijk zijn, waarom Kloos niet warm bep voor HoUandsche dichters, die naast Mevrouw Roland Holst enfVan Eeden, óók ket bed der idee trachtten te zingen. Het was, omdat het werk van die doodenkelen (waren er nog anderen dan De Vooys en Verwey? Van Eyck misschien?) zoo poover afstak bij de door hem vereerde poëten der gedachte. Waar is, zou men wülen vragen, naast Henriëtte Holst's poëzie, ket Nederlandscke dichtwerk der bezielde idee uit dien tijd, dat Kloos heeft voorbij gezien? Als men den toestand kent bemerkt men dat Guttebngs bestrijding een oratio pro domo is en blijft er van zijn geheele redeneering niets anders over dan dat Kloos niet «le verzen met gedachten die in het begin der 20ste eeuw in ons land zijn geschreven, als kunst keeft willen prijzen; maar wie zal kem daar een verwijt van maken? Was er iets uitstekends van die soort kem onder oogen gekomen, men kan er

1) Slot van de Inleiding voor Perk.

2) N. L. G. IV, 217, tegen Verwey, die in de XXe Eeuw aanmerkingen bad gemaakt op de 4e editie van Perks Mathilde.

Sluiten