Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat op maken dat hij het niet voorbij zou zijn gegaan, integendeel, het gekoesterd zon hebben met de vlam van zijn bewondering. Hij heeft het van den sociaal-democraat Gorter gehoopt, ook nadat deze hem met zijn dogmatische rijmerij had teleurgesteld; de dichter van Mei, meende hij, zou, even goed als Henriette Roland Holst, de sociaaldemokratische gedackte tot kunst kunnen verheffen, en hij spoorde er hem toe aan:

„Laat Gorter eens een nieuwe Mei maken, doek nu geen wazige Mei, maar een vastere, reëelere, krachtiger Mei (zij dit woord dan genomen in, wel een andren, maar tock uit de verte overeenkomstigen zin), te weten: de Mei der jonge volksbevrijding, zooals kij die toch, als dichter, zich voor oogen kan stellen, en waarin hij dan zou kunnen neerleggen en vereenigen, rijk en groot-machtig, als rijp-forsch man, keel zijn willen en denken en kopen, keel den gloed van zijn voelenden geest (dat moet kij tock zonder twijfel in ziek kebben?) voor het „bjden" en „de ellende" van het treurige Heden, met een heerlijk-open uitzicht op de schoonheid en 't geluk, op den koog-kalmen vrede, die ons allen, volgens hèm, verbeidt in den socialistischen staat. O, dat zou een schilderij zijn van diepe beteekenis en machtige waarde, van breede menschelijkheid en nieuwe schoonheid, waar het als helsche donker, evenals bij Dante, tegen het hemelsche bcht zou staan, een Commedia Umana, die onzen tijd, tenminste voor een deel, zou kunnen vertegenwoordigen, evenals de Divina Commedia dat de Middeleeuwen doet. O, dit zou voorwaar wezen een den grooten dichter waardiger ambitie, dan dat hij een plaats, om op te zitten, zou krijgen in onze Staten-Generaal.

Ja, waarbjk groot-machtig-doend te staan als dichterlijke profeet van zijn eigen belijdenis, wiens geluid zou klinken hoog-ver bóven, en toch midden in den socialen kamp, als een voorbod van de zege, als een wek-stem en een belofte, een Evangelie van geloof, een Openbaring van overwinning, dat ware een den dichter schooner-passende en stellig nog beter-vervnlbare roeping, dan te zetelen als lid van een regeeringsbehaam, onder toch niet van-hun-stuk te brengen tegenstanders, waar zijn stem zou afstuiten op metalen hoofden en steenen muren, om ten slotte, onbegrepen, in de lucht te vergaan" 1).

IV. De stijl. Gutteling zegt ervan (nog altijd in zijn beschouwing over Dl. III en IV der Nieuwere Literatuurgeschiedenis) dat hij niet „schitterend" is, „omdat men nu eenmaal niet zijn heele leven kan teren op theorieën die in de eigenlijke Nieuwe Gids-j aren, nieuw, frisch

1) Nieuwere Lit. 6. IV, 256 (Henriette Roland Holst).

Sluiten