Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

perking, waaraan op zijn beurt ook Kloos niet ontkomen is. Maar dit juist maakt, dat kij zijn eigen plaats inneemt, die niemand kem betwisten kan.

Kloos, de aestketicus, is niet de geleerde, met de voorkeur-looze belangstelhng, die tevreden is als kij begrijpt, d.w.z. als hij is kunnen doordringen tot ket ingewikkeld complex van kistorische oorzaken welke ket Hteraire werk zijn aanzijn kebben gegeven. Van de natuurhistorische methode van een Taine, een TeWmkel en een Walzel staat hij mijlen ver af.

Dichter staande bij Sainte-Beuve, die ook den persoonHjken smaak en ket Hteraire genot als factor gelden deed, keeft kij tock niet als deze zijn krackt gezocht in de levendige biografie, welke uit een menigte van ijverig opgespoorde feiten en feitjes ket voUedig HckameUjk en geestelijk portret van een auteur wist samen te stellen.

Hij keeft niet als Brunetière gespeurd naar het genetisch verband der Hteraire werken onderling en niet stelselmatig, als deze hterairhistoricus, hun evolutie onderzocht. Ook heeft hij niet als Leo Tolstoi (Wat is Kunst?) het hoogst bereikbare voor de kunst gezien in klassieksobere verbeeldingen van een ethisch Christendom. Hij heeft zich niet, als Potgieter, laten verleiden om soms het nationale, gezond-sterke, eo ipso een koogere waarde toe te kennen en, in tegenstelbng met Busken Huet, heeft hij aan het verstand geen grootere rol bij de beoordeeling toebedeeld dan aan het gevoel. Hij keeft ook niet als Dirk Coster de grenzen der kritiek zoo eng getrokken, dat er aUeen voor zedelijke helden en hervormers, of, zooals Emerson hen noemde, „representative men" een plaats overbHjft.

Maar hij heeft met strikte beperking tot datgene waar het eigenlijk om gaat in aüe kunst, in aUe bteratuur, dat wat altijd haar levensvoorwaarde en haar rechtvaardiging zal bbjven en niet anders aan te duiden is dan door het woord Schoonheid, menschelijkerwijs-gesproken met de grootste onpartijdigheid geschift en gezift, geloofd en gelaakt, en bovendien met een zuiverheid van smaak die schaars haar gelijke vond. Omdat het eeuwig-roerende: de onmiddelbjke, artistieke, eigenaardig-trillende indruk kem meer was dan aUe weetjes en weten-schap en hij het hteraire werk niet in de eerste plaats zag als een aanleiding tot een wetensckappebjk onderzoek, bijvoorbeeld van de rhythmische effecten of als de uitdrukking van iets anders dan zich zelf, de uitdrukking namelijk van aUerlei maatschappekjke of historische of persoonlijke feiten die erin zijn voorondersteld en verwerkt, en hij daarom ook de beteekenis ervan niet afmat naar den meerderen of minderen

Sluiten