Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn diepst Zijn eindigde zijn toonloos fluistren ....

Ik zelf, teruggevallen van mijn luistren

En tot het leven weer der Aarde ontwaakt,

Stil zeide ik: „Dank, vol-innig dank! ket duistren

Van 's Levens Raadsel hebt gij bcht gemaakt".

In 1923 stierf een van Kloos' beste vrienden, dè schilder Willem Witsen, met wien hij in de eerste Nieuwe Gids-jaren te Amsterdam en in 1888 in Londen had samengewoond. Daar werd hij opnieuw herinnerd aan den dood, aan de diepten van het leven, aan gebeurtenissen en gesprekken uit vervlogen jaren, en van zelf, onbedwingbaar, rezen sindsdien, bij tusschenpoozen maar onophoudelijk, gevoelens en gedachten uit zijn binnenste welke den vorm aannamen waarin hij reeds zoo vroeg zijn meesterschap had getoond: het sonnet.

Acht en twintig sonnetten schreef hij in 1923, na het overlijden van Witsen. Een ervan is het volgende (de vrienden ritten in een Londensch café en Witsen spreekt):

Want deze wereld, Willem, is een droeve, Jij weet dat niet, jij bent een der onrijpen, Die slechts de schoonheid zien, en niet begrijpen, Dat wij, te alkant, omringd zijn door de boeven,

Die misbruik maken van de Besten. Stroeven Als ik, ontgaan hun lagen: maar jou nijpen Zij straks de keel toe, daar jij naar hun pijpen Niet dansen wilt, maar doet wat recht is. Zoeven

Ging door de zaal het ver orkest. Hij zweeg,

Terwijl ik stil-verrast zijn kop betuurde,

Die naar de wolkjes van zijn pijprook gluurde.

'k Begreep zijn woorden niet: mijn koofd bleef leeg.

Maar later, later liggend doodstil in ellende,

Voelde ik, koe hij, mijn wijze Vriend, het leven kende.

Sinds 1924 kwamen de Binnengedachten, een reeks sonnetten, die thans zijn aangegroeid tot een getal (er zijn er nu ruim 800) dat al de andere tezamen overtreft, en als letterkundig verschijnsel geheel apart staat, zoodat Van Deyssel eens zijn vriend mocht toevoegen:

Sluiten