Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Neen, Pan niet meen 'k, dien zich de Al-ouden mystisch droomden,

Zooals hij ijlings, stil-fluitspelend, scheemren wou

Op eens door 't scheidend licht, alsof een snelle schaüw

Door de atmosfeer streek en weer weg was .... Weet, hij schroomde,

Dat herders zagen zijn Figuur gaan, als zij boomden, Vóór 't huiswaarts keeren, over wolken, die wijd-grauw Lagen in 't Oosten, tot ten laatste nog maar nauw Den weg zij vonden over heuvlen, als vertoornden.

Dan kwam hij plóts weer, lokkend woudwaarts .... Ziel der weiden, Rotskloven, stroomen, pieken van 't gebergte, omhoog Wijzend in de Aether, waar, als droomen, ver-weg glijden De aanbidbre Machten der Verbeelding, uit ons oog....

Pan is wat blijft in ruimtelooze Wijdheid deinend,

Wen heel dees schijn, het Zijnde, week, in 't Niets verdwijnend

waarop hij dan zijn mystisch-pantheïstische leer laat volgen. Jammer dat niet alles over te nemen is, want er is veel moois en sterks in deze verzen.

De dichter kan zich verplaatsen in het denken der vromen en meevoelen wat zij voelen, maar hij acht zich minstens zoo vroom als zij, daar hij zich niets voelt, niets dan een vloeiing, opeens gekomen uit het maatloos leed, het zelf-leed van God. De geest, eenmaal zich een deel wetend van het Ongewordene Oneindige is niet meer vatbaar voor kleine ijdelheid. Als men het lijden-in-worsteling van God goed beseft, dan kan men evenmin zwakkelijk toegeven aan zelfbeklag, dan wordt men zedig-ingetogen en lijdzaam en ziet af van eigenbevende wenschen, „want Zijn stille, Oneindge Weedom zal u zachtlijk-troostend tillen Boven uw eigen smarten, die zoo klein zijn", „Went u dus om in de stilte steeds met hèm te zijn" (1924, II, 53 en 54, blz. 168, 169).

„Wij, als kinderen van God, die in ons leeft, pijnen ons af om hem tot Bewustheid te brengen, wetend te doen zijn, en dit geschiedt alleen door in stoer zelf-verreinen levenslang te voelen dat men een uiterst klein deeltje van God-zelve is" (1924,1,27, blz. 431). „Wanneer men dit beseft is er voor kleine ijdelheid geen plaats meer" (1927, I, 279, blz. 57).

Zoo blijkt dat van dit geloof buiten de gewone godsdienstvormen

Sluiten