Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Neen, God, leer mij verstaan Tijd's gruwel.... ! Maar God zweeg:

[dies harden,

Ging 'k diep me in zwijgend mijmren, hang, dat 'k doelloos mij

[verwarde

In 't uit mijn zaalge Diepte opwentlend voelen, dat slechts kil Wierd, waar dit moest, wijl 't Noodlot stormde. O, met geen ijz'gen gil, Noch zuchten toonde ik ooit mij zelf mijn smart, als 't Leven sarde.

Ja, 'k weet den zwaren zin des Aanzijns: Tijd en Ruimte zijn Droomscheemrig door 's Algeestes Zien verbeelde Wezensschijn, Waar God ingiet Zijn weemlend Willen, oergrond van al 't onze,

En '8 menschen ziels-gloed, glijdend weg in de' eeuwgen wezenswaan, Verzwijmend, wen wij wijken, in God's Ziening, zal vergaan. Zooals een veertje, een oogwenk vrij, zacht zijgt in 't bed, het donzen.

1926, II, 204, blz. 276.

Uit het brandend kernpunt van dit pantheïstisch geloof schieten vele stralen: het aantal onderwerpen door Kloos in zijn Binnengedachten tot gedichten verwerkt, is hiermede lang niet uitgeput. Het zou te ver voeren, ze alle te bespreken en door citaten toe te lichten. Er zijn er die meer dan eens door den dichter zijn behandeld, maar altijd weer anders. Daar is het thema van de Onsterfelijkheid der Ziel.

Is er nog leven na dit leven? In de jaargangen 1925 en 1926 I en II en ook later komt bet vraagstuk voortdurend ter sprake, en hoewel eenigszins weerstrevend komt Kloos tot de gevolgtrekking: neen, een bewust voortbestaan is er niet (1926 I en II, 151, 156, 161, 203, 204, 205, 210).

Sterven is verijlen als wolken, in 't Oneindige. De heerlijkheid van een heiliger sfeer is niets dan een waan. Na den dood wacht alle wezen óf een even vreemde Zijnsdroom, 't zij een dabng diep in 't Mystisch-wijd-uit-Vage. En als er een voort-leven is, dan is het waarschijnlijk toch slechts een leven zonder Bewustzijn:

Vernietigd worden bij mijn laat, vreemd heengaan .... Wereldziel, Zou 't mooglijk wezen? Neen, wij allen duren voort, stil-sneeuwge Zijnsylokken, koele, zonder willend weten, in hoog-eeuwge, Onwezenlijkste Al-wezendheid. Ach, 'k voel: op 's Levens Wiel Ixion, arme, wentlend, zou 'k in innig-wild gekniel

Sluiten