Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel kunnen neêr mij werpen, ik, de vroom-vastkrachtig-leeuwge, Wanneer maar Openbaring bbksemend met zwaar-breed-beevgen Gloed uit mysterie-volle Verte in mijn reinst Zielszijn viel.

1926, II, 210, blz. 282.

Ik sprak van een veelheid van onderwerpen. Daar zijn, behalve de zich vaak herhalende pijnlijke herinnering aan zijn smartelijke jeugd en het leed om de tweespalt in zijn tijdschrift, een aantal kosmische gedichten over de Planeten, Atlantis, over Ruimte en Tijd; 1924, I, 31, 32, 1927, I, Atlantis, blz. 179, krachtig schilderend de gedachte van het ontoereikende van alle menschelijk denken, het vergeef sche van alle peinzen, het doellooze van het gebeurende (1924, II, 53, blz. 168; 1926, I, 165, blz. 322; 1926, II, 190, blz. 48; 197, blz. 187):

O, Lot, o God, waartoe dit warlend wentelen, door Ruimten Onmeetbre, van miUiarden werelden, die weer vergaan,

1926, II, 197, blz. 187.

Aarddeelen, sterrewerelden men ziet aan flarden Hen vallen door zelfdelging ■ of ontzetbren stoot Van andre wereldwentbng waar eerst na miUiarden Jaarduizenden een nieuw systeem uit opwaarts schoot.

En daarom voel 'k soms diep: is 't waarlijk van veel waarde Dat d'aardsche opstreving naar 't Verstaan zich staag herbaarde?

1925, I, 80, blz. 53.

De wil tot zelfstandig zoeken naar de Waarheid en het fiere besef, zich zelf te zijn, maken hem onverschillig en vreemd ten opzichte van de wereld, evenals dit Herakleitos was, de grondlegger van de metaphysica (1925,1, 88, blz. 296; 1927,1, 232, blz. 54; 1927,1,244, blz. 178; 1926, I, 153, blz. 33):

O, Mensch, te staan in eigen Afgrond, lijk ik-zelf, gesmeten, Gebeten van al kanten, doen kan, plots dan strak en droog. Geen mensch deed mij voor goed iets aan, schoon 'k droef werd,

[wreed doorvreten

Door 't klare voelen van mijn eerlijk Diep-zijn. Weet, ik boog Voor niets mij neer nog dan voor 't Eéne, Eenmachtge. En als eens

[vloog

Sluiten