Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn Zijn heen naar 't Echtste Inzijn, zal ik, hoop ik, niets meer weten

1927, I, 244, blz, 178.

Hij spreekt uit wat hem scheidt van de meeste anderen; kij meende dat elk beschaafde zich zou beijveren om de waarheid te vangen, „die, waande ik, door elk ernstig kersenstel, als lokdroom jacht", zooals Aktaioon jaagde naar het ree, maar het was heel anders. Om dit alleen-staan heeft hij moeten lijden, maar ongebroken voelt hij zich, als Prometheus. (1926, I, 168, blz. 328; 174, blz. 427; 176,177, blz. 516 en 517; 182, blz. 522; 183, blz. 668; 1926, II, 211, blz. 428; 1927, II, 280, blz. 58.

Diep voelde ik vaak, nog jong, reeds als Prométkeus koog me op Rots Van breed-klaar inzien aller Smarten, die verre Aard mij toonde, En Tt vroeg dies stil mij: Wie dwong me ijdlijk, dat 'k hier lijdend

[woonde,

Wreedlijk terneer gebliksemd uit het kalme Wijdzijn Gods?

't Heelal, geweldig wentlend, lijkt me een Razenswaan des Lots, En wijl ik, vroeg reeds Ziener, vaak in kern mijns harten hoonde Lawaaiende Aarde als leeg rumoeren, .waar dan boven troonde 't Bewustzijn, zie 'k thans de enge Rede óók alles scheef en schots

Befbtsend, onweersplek in 's Leven's Reuzendamp, nu 'k plots Lachend laatst zag, hoe men, in dwaasheid, aanjoelt 't Echtste en

[hoonde

Nog steeds, als lang weleer, 't wild-rhythmisch zingende geklots

Dor zielestuwing naar 't Alwaarste met den blaf des spots, Gelijk men, later edik-reikend, heet het, doornscherp kroonde Het metaphysisch grondloos Hopen der AUeenheid God's.

1926, I, 183, blz. 668.

Prometheus, o mijn Broeder, eenzaam Duider, Doodloos Beeld Mij, Ziener, die door 's Noodlots Doem omprangd hier sta, streng

[wrakend

't Vreemd dwalen dezer weemlende Aarde, waar 'k moet wonen,

[hakend

Dat Rede, Vrede wierde al dien verloornen toebedeeld,

Sluiten