Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paalde daad verricht of wel nalaat omdat hij de straf vreest of de belooning verdienen wil, hiermee niets gewonnen wordt, maar wel veel verloren.

Zeker, die daad wordt dan wel gedaan of niet gedaan, maar innerlijk is er kwaad gedaan: om met het reeds aangehaalde woord te spreken: „de ziel heeft schade geleden." Want als een kind een begeerde daad nalaat uit vrees voor straf, blijft de begeerte in hem leven en zal deze vroeger of later misschien nog heviger naar buiten treden. En als hij iets goeds doet hopende op een belooning, dan doet hij inderdaad niet iets goeds, want hij laat zich door zijn begeerte, zijn verlangen naar het aangename, leiden.

Het zal wel duidelijk worden, dat wij het onszelf niet gemakkelijk maken: wij gevoelen dat wij niet mogen stemmen, wij mogen niet dreigen met straf, wij mogen geen prijzen uitloven. Wij mogen dus ook niet publieke schande of openbare lof gebruiken om de kinderen te ordenen.

Wanneer wij, zooals uiteengezet is, de meer verkapte en indirecte vormen van de dwang als middelen tot ordening bij de opvoeding verwerpen, dan spreekt het van zelf, dat wij de directe, grovere vorm, nl. de physieke dwang in het geheel niet willen toepassen. Wij hebben n.1. ingezien, dat als iemand door physiek overwicht gedwongen wordt iets te doen, als reactieverschijnsel de begeerte in hem zal opkomen het tegengestelde te doen. Dus de physieke dwang, die op een oogenblik schijnbaar de overwinning behaalt, heeft in de diepte nieuwe moeilijkheden gezaaid.

Wat dit laatste betreft kan niet in absolute termen gesproken worden, zooals het wel kon bij wat gezegd werd over het dreigen-met-straf of het beloven-van-belooning.