Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaam heidsleer middelen:

De „k nikkerkaartje s", *) groot 7 bij 10 cm. Er zijn gaatjes in, waar knikkers in kunnen liggen: in het 1 e kaartje één, in het 2e twee en zoo vervolgens. Het kind moet de knikkers in de gaatjes leggen en dan de kaartjes op volgorde. Als het goed gelegd is, past een controlekaart met iets grootere gaatjes er over heen, zoodat de knikkers er boven uit steken.

De „knikkerdoo s". *) Hierin zijn kleine bakjes, waarin knikkers precies passen. Er is een bakje met 1 knikker, dat ligt tegen de kop van een bakje met 9 knikkers, dan een met 2 tegen de kop van een met 8 knikkers en zoo vervolgens. Met deze „knikkerbakjes" rekenen de kleintjes in het begin. Voor optellen leggen ze ze in eikaars verlengde. Voor aftrekken zetten ze het kleinere bakje op het grootere. Voor vermenigvuldigen zetten ze meerdere van één soort naast elkaar enz.

De „t e 1 k a a r t j e s". Hierin zijn verschillende aantallen kleine gaatjes geponst (door de kinderen zelf). De kaartjes moeten nu op volgorde worden gelegd. Controle op achterkant.

De „o p t e 1 w i s s e 1". *) Dient om de overgang tot de getallen boven 10 aanschouwelijk te maken. Als het kind moet uitrekenen 8 + 4, laat hij eerst 8 knikkers door het hellende gootje rollen, (hij hoort ze dan telkens onderaan tegen het dwarsplankje stooten). Laat hij dan de 4 knikkers boven aan het hellende plankje een voor een los, dan blijven de eerste twee in hetzelfde gootje, maar de volgende gaan automatisch in een tweede gootje rechts van het eerste: het tiental is vol; wat daarboven komt loopt over in een volgende kolom. Het kind ziet aldus het getal 12 ontstaan als 10 + 2.

„O p t e 1 b 1 o k j e s". Dit zijn 100 blokjes van 5 X 1