Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer naar de voor de kinderen zoo geheimzinnige schuilplaats onder de pannen. Daarna verrichten we de drie „Stichtingsdagceremoniën": eerst de „handslag": de heele, ongebroken kring rond slaan wij drie maal op elkaars hand, op de wijze zooals boeren doen als zij een koop sluiten. Dan zingen we „Auld lang syne" met gekruiste armen en eindelijk moeten we allen gelooven aan de „hoofdplons": d.w.z. dat we ons hoofd diep in een van de emmers water moeten steken die op het zoldertje klaar staan. Dat geeft natuurlijk groote pret, als dan in zoo'n druipend, proestend gezicht het traditioneele koekje gestopt wordtI Men ziet het: we zijn al weer mooi op weg om onze eigen tradities te vormen. Maar gevaar voor verstarring is er voorloopig nog niet! Daarvoor is alles te frisch en te levend, en is er te veel humor in de gebruiken die ontstaan zijn.

Toch is 't wel een beetje „plechtig" ook — iets wat kinderen ook zoo graag beleven —, als daar bijvoorbeeld in volkomen, stilte het klap-klap-klap de kring rond gaat gedurende de „handslag", en ook daarna, als we ons verzamelen en groeten lezen van oud-werkers, die niet voor de Stichtingsdag konden overkomen; of wel als we een gezamenlijke groet aan hen zenden. Dan wordt een woord van afscheid gesproken tot hen die onze kring gaan verlaten en worden de behaalde diploma's uitgereikt. Tot slot zingen we dan samen het Stichtingsdaglied, *) waarvan ik hier de tekst van het eerste en het laatste couplet Iaat volgen, omdat de geest van ons gemeenschapsleven er door getypeerd wordt:

„Wij leven zoo heerlijk met elkaar In werk en spel hier jaar op jaar,

Het wordt gezongen op de vrijs van dat prachtige oudEngelsche drinklied: „Down amongst the dead men".