Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de Regeering kunnen worden gerangschikt onder de groep van „Geneeskundige Gestichten ", zoo eischte deze, dat diverse verbeteringen eerst moesten zijn tot stand gekomen. Van de Provincie werd daarvoor ontvangen ruim ƒ 40.000,—. als aandeel in een provinciaal fonds, dat in 1842 was opgericht voor den bouw van twee gewestelijke krankzinnigengestichten. Toen dit plan niet doorging, besloten de Provinciale Staten om een gedeelte van dit geld af te staan aan die Stadskrankzinnigengestichten, welke konden worden gerangschikt onder de „Geneeskundige Gestichten", d.w.z. die inrichtingen, welke waren ingericht om het herstel der geesteszieken te bevorderen, onder leiding (toezicht) staande van een medicus. Wanneer de controle van een geneesheer ontbrak en dus het doel slechts was om „personen van de maatschappij af te zonderen", werd het gesticht gerangschikt onder de „Bewaarplaatsen".

Ten behoeve van de uitbreiding werd een gedeelte van den grond van het voormalige Gasthuis aan de Hoogstraat gebruikt. De achterzijde werd geheel vergroot en vernieuwd. Het gevolg was, dat bij Kon. Besluit van 3 Februari 1861 de verklaring tot „Geneeskundig Gesticht werd verkregen, doch uitsluitend voor behoeftige krankzinnigen.

Volgens een brief van het Bestuur d.d. 12 November 1858 zou het gesticht na de verbouwing geschikt zijn geweest voor de verpleging van 302 patiënten, t.w. 136 mannen-patiënten en 166 vrouwen-patiënten. Blijkens een brief van den 29 December 1859 werd besloten om met ingang van 1860 alleen behoeftige patiënten op te nemen, waardoor dus reeds, overeenkomstig de daarna gestelde voorwaarde in het Kon. Besluit van 1861, met de klasseverpleging werd gebroken.

Als bewijs der zich snel wijzigende opvattingen omtrent de verpleging, zij opgemerkt, dat het bovengenoemde aantal van 302 patiënten nooit werd bereikt en tóch herhaaldelijk klachten worden aangetroffen over overbevolking. In verband daarmede besloot de Commissie voor het Gesticht in 1878 om geen patiënten meer op te nemen uit andere gemeenten. Voor de onmiddellijk aangrenzende gemeenten werd een uitzondering gemaakt.

In December 1882 werd door Dr. Halbertsma een uitvoerig rapport uitgebracht over de „overbevolking . Deze medicus achtte het gesticht slechts geschikt voor 150 patiënten. Er werden verpleegd 230 patiënten, zoodat er een overbevolking zou zijn geweest van 53%. Van de 17 verpleegden uit andere gemeenten werden, in verband met deze overbevolking, 16 naar andere gestichten gebracht.

Het rapport bevat ook overigens belangrijke mededeelingen. In één der zalen van slechts 100 M-. oppervlakte, moesten 64 onrustige vrouwen verblijven, zoodat er voor elk slechts 1.6 M- beschikbaar was. waarvan nog moet worden

Sluiten