Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slagen hun maatschappij te vernieuwen, als ze volkomen breken met de mythe van de Islam (Kemal Atatürk).

De Islam is het voorbeeld van een mythe, wier inhoud en culturele kracht nooit voldoende waren om tot de vorming van een culturele élite te geraken, doch wier werking zich beperkte tot het scheppen van een militaire macht, die de Heilige Oorlog weet te organiseren en te voeren, zonder er in te slagen het veroverde rijk tot een Heilig Rijk te maken. Wat bij de oorspronkelijke, door de kracht der mythe bezielde veroveraars nog aan bezieling aanwezig was, is reeds een vulgarisatie van de religieuze mythe, die in Mohammed en de kleine kring zijner geestverwanten leefde. En het proces der vulgarisatie, zo spoedig ingetreden, is na enkele generaties reeds zover voortgeschreden, dat we een onbezield, alleen maar voor materiële handhaving werkend, bestuursapparaat overhouden.

Indien dus een mythe reeds in den beginne geheel en al op uiterlijke machtsvorming gericht is, indien ze niet het winnen van een élite ten doel heeft, dan zal ze misschien aanvankelijk een overweldigend succes hebben, want de vulgariteit van haar oorsprong maakt het verkrijgen van een grote aanhang gemakkelijk. Maar ze is dan een geweldig lichaam met een zwakke geest, een monster, dat onweerstaanbaar lijkt, maar dat innerlijke kracht en de mogelijkheden van aanpassing en vernieuwing mist. Verovering van de massa is alleen dan een vruchtbaar verschijnsel, als die verovering op een geheel andere wijze geschiedt. Indien de oorspronkelijke mythe zo „moeilijk”, zo „exclusief” is, dat ze aanvankelijk geen enkele aantrekkingskracht op de massa uitoefent, doch integendeel de angst en de toom van die massa opwekt, en slechts een kleine minderheid om zich heen verenigt, (een minderheid, die met de heersende gevoels- en gedachtewereld durft te breken, die noch verachting, noch spot, noch geweld vreest), dan beginnen de eerste mogelijkheden van een uiteindelijk vruchtbare mythe op te doemen.

Doch er is méér nodig, want een dergelijke minderheid kan ook een secte zijn en blijven. Nodig is dus ook, dat die minderheid de geestelijke strijd met de heersende opvattingen niet vreest, dat ze in die strijd haar eigen wereldbeschouwing versterkt en verbreedt, dat ze de beste elementen van het traditionele voelen en denken assimileert, dat ze dus tot een „compromis” komt, dat

Sluiten