Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er zijn natuurlijk uitzonderingen, speciaal wat het cultuurniveau betreft, maar het gaat hier over den regel, en niet over de uitzonderingen.

De gegeven grafische voorstelling toont duidelijk aan, dat er een dubbele saamhoorigheid is, en dus de mogelijkheid van een dubbele bondsvorming.

Ten eerste: saamhoorigheid door het ééne beroep, waardoor alle beroepsgenooten vereenigd worden in ééne bedrijfschap, even natuurlijk als allen, die in ééne gemeente wonen, ook gemeentenaren zijn, onafhankelijk van godsdienst of levensbeschouwing. Dit alles is in het vorige hoofdstuk reeds voldoende besproken.

Ten tweede: saamhoorigheid door ongeveer gelijke hoogte van stand en daaruit volgende cultuur. Op grond van deze gelijke hoogte van stand en cultuur kunnen de menschen zich ook vereenigen in wat we cultuurbonden of standsorganisaties kunnen noemen.

Na het verschijnen van ,Rerum Novarum" heeft men hier in Nederland, speciaal wat de arbeiders betreft, een dubbele organisatie gemaakt: de vakorganisatie voor de vakbelangen; de standsorganisatie voor de godsdienstige, zedelijke, cultureele belangen der arbeiders. Aan de standsorganisatie werd de voorrang gegeven; zij was als het ware de stam-organisatie, waaruit de vakbonden als takken uitbloeiden. Alleen in Nederland was het feitelijk zoo ingericht. In zijn commentaar op de encycliek prijst von Nell Breuning deze inrichting ten zeerste, en geeft te kennen: dat in Quadragesimo Anno de Paus zelf deze opvatting van de Nederlandsche organisatoren volkomen schijnt te dekken en goed te keuren.

Wordt de standenmaatschappij tot werkelijkheid, dan verdwijnen vanzelfsprekend deze vakorganisaties.

Verdwijnt dan echter ook de standsorganisatie?

Sluiten