Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II

7

JL—;ijn jeugd was lang en gelukkig.

Het landgoed Karewo in het gewest Pskow herbergde tevreden menschen en de moujiks, die het land bebouwden en dienstwillig hun heer dienden, waren zoo tevreden, als wezens, die vergeten moeten, dat ze menschen zijn, maar wezen kunnen.

In deze wereld van tevredenheid ontwaakte het kind en luisterde. Het hoorde eerst de stilte en schrok. Toen hoorde het zijn eigen stem, rauw, vreemd. Daarna was het de stem zijner moeder, die de gevluchte stilte terug riep. En het was een andere stilte, een warme, weldoende, lieve stilte.

Later luisterde hij urenlang naar de njanja, de kindermeid, die zijn jeugd bewaakte en hem de stemmen leerde verstaan van het ruischende bosch en van de golven, die, tegen den oever van het meer spoelend, zingend braken.

De ruimte leefde onder het kleine geluid zijner voetstappen. Hij hoorde de grootheid der zalen méér dan hij haar mat met de oogen.

Sluiten