Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meegelopen. Toen heb ik ’t niet meer kunnen uithouden.

„Peter, Peter,” heb ik toen geroepen; „jij bent geen lafbek. Je bent de dapperste van ons alle drie!

Toen keek hij mij verwonderd aan.

„Hoe meen je dat?” zei hij, „ik kon jullie toch immers niet laten verdrinken?”

En Jan Beijer heeft niets gezegd, maar de tranen hebben maar al langs zijn wangen gelopen, en hij heeft de gehele weg Peter Peine niet willen loslaten. —

Sedert die tijd weet ik wat dapperheid en moed en trouw is! Peter Peine! — Later heb ik hem nog vaak weergezien, toen hij matroos was op een Hollandse kustvaarder. — Verscheidene mooie brieven van hem bewaar ik in mijn brievendoos totdat de laatste brief kwam die hij mij geschreven heeft, — een paar dagen vóór zijn dood. Als loods heeft hij in een verschrikkelijk noodweer zijn leven gelaten — voor anderen! Wanneer ik echter ooit hoor van een wonder van dapperheid te land of te water, dan denk ik aan jou, mijn besten Peter Peine!

Heinrich Scharrelmann.

Uit: Fröhliche Kinder. Hamburg, Alfred Jansen.

Naverteld door N. van Hichtum in: Moeders Vertellingen. Alkmaar, Gebr. Kluitman.

KLEENGEDICHTJE.

Denkt aleer gij doende zijt, en doende denkt dan nog.

Guido Gezelle.

Sluiten