Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE NOODLANDING VAN DE UIVER TE ALBURY.

Terwijl ik de kaart bijhoud, loodst Moll onze kist tussen de bergen door, totdat ik in de verte weer de lichten van een stad zie. Dat moet Albury weer zijn. Terwijl ik bezig ben het kompas af te stellen op de koers naar Cootamundra, ontdek ik iets bijzonders. Plotseling is Albury verdwenen; alleen één rij lichten blijft zichtbaar. Dat lijkt wel een vliegterrein. Enige seconden later branden alle lichten van de stad weer. Men schijnt daar onze aandacht te willen trekken. Of zou men denken, dat de oorlog uitgebroken is en dat de stad door een vijandelijke bommenwerper wordt bedreigd? In elk geval lijkt het de moeite waard om te gaan kijken naar de lichten, die de aanwezigheid van een vliegterrein doen vermoeden.

Als we boven dat terrein cirkelen, zien we aan weerskanten een groot aantal auto’s, die met hun koplampen het terrein verlichten, kennelijk met de bedoeling ons in staat te stellen, te landen. Doch we zien tegelijkertijd, dat het geen vliegterrein is; daarvoor zijn de afmetingen te klein. Terwijl van Brugge de sleepantenne inhaalt, steek ik onze beide schijnwerpers aan en vlieg enige malen laag over het veld om te zien of het groot genoeg is, om onze Uiver zonder beschadiging neer te zetten. Per slot van rekening zijn wij hier veel dichter bij ons doel, dan te Cootamundra en kunnen misschien van Albury, zonder benzine bij te laden, naar Melboume vliegen. Bovendien zouden we, voor we te Cootamundra zijn aangekomen, wel weer opnieuw door onweersbuien kunnen worden overvallen.

Met onze schijnwerpers kunnen wij slechts een klein gedeelte van het terrein verlichten, en door de betrekkelijk grote snelheid zien we elke hindernis slechts heel even, zonder een indruk te krijgen van de gehele omgeving van het terrein. Ik besluit gebruik te maken van een der parachutefakkels, om de omgeving van het terrein te verkennen. Deze parachutefakkels, waarvan de Uiver er

Sluiten