Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan zie ik de hoge klapperbomen,

En de vele huisjes,

En de schepen die uitgaan om vis te vangen.

Als ik recht uit zie over gindse berg,

Dan zie ik het huisje op palen, Waar moeder woont en rijst stampt.

Ik zie de kippen die het graan pikken; Het visnet dat vader uitspreidt,

En de vele lichtjes der gamalenvissers op zee.

De jongens spelen met hun varenblaren, Die ze laten vliegen als de wind boos is, En de maleo’s vliegen naar ’t strand, Om er hun eieren te leggen.

Als ik recht uit zie over gindse berg,

Dan zie ik het land,

Waar ik gewoond heb,

Waar uit de soldaten mij hebben meegenomen.

Ik kon niets zeggen, zo ontroerd was ik door dit heimweeliedje. Was dit dezelfde jongen die ik als een kleine duivel boven op een paard gezien had? Dat kleine verlangende mannetje met zijn donker gezichtje dat daar zo eenvoudigjes zat en op zo’n prachtige manier vertelde van zijn land waar hij thuis hoorde? Op een betere manier zeker had hij mij niet kunnen zeggen hoe het er daar thuis bij hem uitzag en hoe het grote verlangen in zijn zieltje al groter en groter werd als de zon zonk en de schemering intrad met haar verlokking om te peinzen.

Rijpma, Jonge Kracht. I. 4

Sluiten