Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zou je graag eens naar huis willen?” vroeg ik.

Hij keek op, want heel diep was zijn hoofdje gezonken.

„Ja!” knikte hij.

Het was een hele reis, daarom zou het werkelijk een vacantie moeten worden en daarom beloofde ik: „Nu als je erg vlijtig werkt en ik zie dat je goed de stal schoon maakt en niet meer op de paarden springt en ze zo laat hollen Oeke, dan mag je over vier dagen voor een poosje naar huis. Dan is het weer grote passar en kan je met de marktmensen meelopen!’

Ik geloof dat hij heel blij was, want hij lachte en knikte nog eens toen Ijolle het hem duidelijk maakte. Ik zeg, ik geloof dat hij blij was, maar zeker weet ik het niet, waarom zou hij anders gedaan hebben wat hij die avond deed? Waarom zullen wij blanke mensen nooit iets begrijpen van wat er in de ziel omgaat van hen die in het Oosten geboren zijn?

Als zilver vloeide de maneschijn neer in de stille nacht. Bij de bergen beneden in het dal lag hij als een dunne wade van wit; sluiers van maneschijn gleden heen over de weg, langs de bomen wier kruinen onwezenlijke grijze bouquetten leken. Alles leek groter dan overdag, kolossaler. Haast om er bang van te worden waren de reusachtige alleen staande tamarindebomen die grote plekken donkere schaduw om zich heen wierpen. Alles was doodstil, alleen huilde af en toe de stem van een bosuil en sloegen de schildwachten die achter de prikkeldraadomheining van het bivak stonden met het hout op een blik ten teken dat ze wakker waren. Dat geluid werd zes keer herhaald, daarna was alles weer stil, zong alleen onhoorbaar de maannacht zijn lied.

Alles was veilig in het bivak, een officier had nog eens de ronde gedaan. Hij had alle zes de schildwachten klaar wakker gevonden dien van het zijlaantje waar het diepe ravijn dikwijls een goede schuilplaats kon zijn voor vijanden, dien bij de kazerne, en de vier anderen die ieder bij een uitgang stonden. De poorten waren stevig

Sluiten