Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Weeüw staat peinzend op dit woord —

Doch ledig blijft zij niet:

Zij meet, wat van haar Webbe nog Tot koopwaar overschiet; —

En ’t Web. • • • golft zonder eind haar toe! En eindloos meet ze — en wordt niet moe

En bergwijs hoopt het doek zich op,

En maakt steeds plaats voor meer;

En, rees een stapel tot het dak,

Een nieuwe rijst alweer:

Als de avendzon het West verguldt,

Is ’t hutjen van een Schat vervuld.

„Dank, Fohi!” stamelt zij, geknield,

Die nu eerst knielen kan. —

Ja! Fohi zelf bezocht haar stulp,

Vermomd als Reizend Man:

Weldadige Armoe loonde hij,

De Vlijt is van haar zorgen vrij!

Doch ras vernam een rijke Weeüw Het wonder hier geschied,

Al is zij rijk, zij gunt dien Schat Aan zijn bezitster niet:

Zij meent, van ’t hare ging het af Wat Fohi goeds aan andren gaf.

De Grijsaard, dringend aangezocht,

Keert thans tot harent in,

Waar dierkoop Weefsel op hem wacht, Opdat zij meer gewinn .

Haar dienares doorwaakt den nacht,

En ’t zedig reiskleed zwindt voor pracht!

Sluiten