Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tam uitgevallen als haar meubeltjes bedorven of het wit van haar portaal besmeurd wordt.

Het paard stommelde achteruit, hout splinterend van de traptreden, kalk aftrappend.

„Kijk nou is wat ’n schandaal, wat ’n last,” huilde de buurvrouw.

Ik, diep in zorgen, stond weder op het balkon, kijkend naar de bekalkte flanken van mijn bruinen hengst.

Ze moesten echter gestald worden. Je kon ze niet op straat laten.

Zenuwachtig liep ik een trap hoger naar de zolder, smeet de zolderramen open. Er was een hijsblok, óók een touw.

„John,” riep ik naar benee: „let op het touw,” en badend in ’t zweet, vierde ik het koord, hing over de gootrand, oplettend of John begreep. Dat was een gelukkige inval. John bond het touw om de buikriem van den zwarten hengst, daarna een dunner koord aan de achterste linkerhoef om het dier eventueel af te houden — ik begon te hijsen.

Het ging niet gemakkelijk. De katrol was in lange tijd niet gesmeerd, telkens bleef het paard aan een balkon of spionnetje haken. Beneden hoorde ik ruiten rinkelen. Het verdraaide dier spartelde. Stom van dien vervloekten John om niet beter af te houden!

„Let dan toch op, uilskuiken,” schreeuwde ik hijsend — gelijk zag ik ’t hoofd van het paard boven de gootrand uitsteken. Het dier brieste van blijdschap toen het mij herkende. Ik was gewend elke morgen in zijn stal klontjes uit te delen.

Ik gaf een laatste ruk, trachtte het binnen te halen. Maar het hele achterlijf haakte onder de gootrand. Wel vertikt dat het hijsen iets verder baatte. Geen uur bleef John langer in mijn dienst. Ik poogde met één arm het touw vast te houden, met de andere ’t hoofd van het dier te grijpen. Maar door dit onhandig, zelfs gevaarlijk pogen, schoot het touw los, gierde als een stoomfluit en dadelijk daarop hoorde ik het harde klikken der vier paardehoeven die de stoepstenen raakten.

Hieruit maak ik op, dat niet alleen een vallende kat op zijn poten terecht komt.

Beneden begon de juffrouw van één hoog weer te zaniken. Het

Sluiten