Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schudde. Er viel iets zwaars op het krakende dak en in het vuur, dat op eens gedoofd werd, waardoor ons as en vonken om de oren stoven.

Als verlamd van schrik zaten we sprakeloos in het donker.

Wat we toen hoorden zal ik nooit vergeten; ’t zal mij bij blijven als een angstige droom vol bange verschrikking. We hoorden takken krakend afscheuren en de grond onder ons trilde.

Hoe lang we zo zaten weet ik niet; het geleek een eeuwigheid.

Toen het weer bedaard was en we zwijgend naar buiten traden, zagen we dicht bij de hut een eeuwenoude eik door de bliksem getroffen. Een zware tak was neergerukt en lag half over de hut.

De wilde jager was voorbij, maar overal in ’t bos had hij zijn sporen achtergelaten.

Toen de grijsaard en zijn zoon mij op de weg brachten, stond hoog boven ons de stille, reusachtige nachtkoepel, waarin zacht de heilige sterren glansden.

Gustaaf van de Wall Perné.

Uit: Veluwse Sagen.

Amsterdam, Scheltens & Giltay.

HET PUTJE VAN HEILOO.

Hoe lieflijk ligt het klein Heiloo Van ’t hooge bosch beschut;

Een kerk zeer oud, staat daar gebouwd, Daar achter is een Put.

Die Put (een schat voor mensch en beest) Met heldre bron gevuld,

Die is daar altijd niet geweest,

Zooals gij hooren zult.

Sluiten