Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STILTE EN DOORKOMENDE BRIES, GELEGENHEID EN HUMEUR1).

Aan boord van de Tromp; op zóveel graden Noorder Breedte en zóveel Wester Lengte, midden in de Noorder Atlantische Oceaan; nergens land te zien, water, alles water, dat glad is als een spiegel, want er is geen aasje wind; ’t is bladstil en de Tromp ligt te slingeren op de hoge gladde deining die er loopt, maar*... zonder vooruit te komen; en.... o, dat is zo vervelend!

’s Namiddags half drie.

De officier van de wacht staat op de kampagne, en geeuwt. De dokter staat naast hem en geeuwt ook.

De dokter kijkt naar een kurk, die hij een kwartier geleden buiten boord gegooid heeft; welke kurk ten opzichte van het schip nog niet van plaats veranderd is.

„Lieve hemel,’ zegt hij eindelijk, „wat is dat vervelend!”

„Dat is het, ’ zegt mijnheer Oostlandt, de officier van de wacht, „dat is het wel. En als iemand dat nu nog gebeurt onder de linie, dat is ook wel niet pleizierig, maar enfin, daar rekent men er op... • dat weet je vooruit; maar hier, midden in het gebied van de Noordoostpassaat, waar men volgens alle kansberekeningen een doorstaande N.-O. wind kan verwachten.... als je daar drie dagen ligt met windstilte- •.. zonder vooruit te komen, dat is vervelend. •. Wat ik je verzoeken mag, kijk nu toch niet langer naar die kurk, waarachtig, je maakt me zeeziek.

Alle mensen aan boord van de Tromp gevoelen zich onplezierig.

Onze oude kolonel Hovaerts, de kommandant van de Tromp, zit met een ontevreden gezicht beneden in de kajuit. Naast hem staat de man, die in het kommando op hem volgt, de le officier, meneer Van der Werf.

Voor den kolonel, op de tafel, ligt de windkaart van het Meteoro-

A) dm „gelegenheid" verstaat men de toestand van het schip ten opzichte van lucht, wind en zee.

Sluiten