Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij schopte ’t bleeke rif ter zij,

In schimpend’ overmoed —

Maar sprong ontzet en vloekend op:

Daar schoot een adder uit den kop,

En stak hem in den voet.

Zijn schaar verbleekte en sprong hem by —

Maar ’t was voor Orm te laat:

Van vreeze en doodsangst fel bestreen Kwam hij op t huis — en hem verscheen Geen nieuwe dageraad. —

De Noren duchtten ’t grijze spook,

En trokken ijlings af.

De dorpers zegenden den geest,

Die hun een engel was geweest,

En eerden Radbouts graf. —

W. J. Hofdijk.

Kennemerland, Balladen.

Rotterdam, D. Bolle.

SPREUK.

Wie daer heeft een quaet ghemoet, Slaept hij, waeckt hij, wat hij doet, ’t Quaede feyt, bij hem begaen, Coomt ghestadich voor hem staen.

Jacob Cats.

Sluiten