Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Die twee dadelijk naar je huis, Teunisse, en onmiddellijk onder de wol!”

Wat? Moesten Kees en Kitty nu weg, terwijl de dokter daar met Eddy bezig was?

„Mag ik niet blijven, dokter? ’t Is m’n vrind!” snikte Kees.

„Neen, nee, dat gaat niet. Je zou zelf doodziek worden, jongen! Vooruit, maar gauw bij de warme kachel, jullie!

En tot den boer:

„Zeg maar aan de vrouw, dat ze hen goed in de wol stopt. Ik kom dadelijk wel es kijken!”

„Nou, dan gaan wij maar vast!” zei Teunisse.

Maar Kees verroerde zich niet; hij dacht er niet aan om met den boer mee te gaan. Hij zou van Eddy weggaan, terwijl hij niet eens wist, hoe het met hem was? Nee, dat nooit. Dan moest-ie maar ziek worden! Hij zag, hoe de dokter Eddy’s armen op en neer bewoog, hoe Eddy nog altijd met zijn ogen gesloten daar nederlag.

„Kom nou, jongeheer, blijf daar nou niet staan!” riep Teunisse.

Weer keek de dokter op; hij zag de angstig-vragende ogen van Kees en Kitty en begreep.

Glimlachend zei hij:

„Ga jullie maar gerust, hoor! Over tien minuten breng ik jullie vriend gezond en wel bij jullie!”

Het was, of Kees en Kitty een stem uit de hemel hoorden.

„Over tien minuten breng ik jullie vriend gezond en wel bij jullie!”

Toen aarzelden zij niet langer en welgemoed gingen zij, vergezeld van Henk, met boer Teunisse mee, om „door de vrouw in de wol gestopt te worden.”

J. B. Schuil.

Uit: De A.-F.-C.-er». Amsterdam, H. J. W. Becht.

Sluiten