Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water lag; ’s nachts sliep-ie met z’n ijzers an. Maar meestal sliep-die niet, reed hij de hele nacht aan één stuk door; 's avonds had je m in De Lemmer gezien, de volgende ochtend vroeg stapte-ie binnen bij z n zuster in Lieve Vrouwen Parochie.

Aan de Zuidkant van ’t Heegermeer, tussen de Var en

de Jeltesloot, daar zat Jouke met de hoge rug; ’r was er toch geen een, die zo kon rijden als hij. Eens, toen ze in Heeg ijspret hadden gehad, zou Jouke s avonds laat naar huis terug; ’t was ’n mooie maan en hij had natuurlijk z’n ijzers onder. Hij rijdt ’n goeie streek, maar met dat-ie op zij kijkt, ziet-ie ’n vreemden snuiter naast ’m meerijden. „Ik ken je niet! ’ dacht Jouke, „maar ik zal je d’r van late lusten!” En hij doet nog ’n streekje harder; maar d’n-aar blijft pal naast m rijden; zelfde streek, even lange slag, kop net zo vooruit als Jouke reed. „Dat is geen kwajongen!” dacht Jouke, „dien moet ik er uit krijgen! En hij douwt zijn scheve schouder naar voren, zoals-ie altijd dee, als hij vaart nam. Toen-ie zo n minuut of wat gereden had en-ie naast zich kijkt, is die ander d’r nog altijd. Net even dicht bij m, net zo n gang, en ook z n ene schouder vooruit. Nou werd t Jouke bang. „’t Is de duvel zelf,” dacht-ie en trapte z n schaatsen uit, en draafde op z’n sloffen naar huis. Maar de ander bleef naast m. Als Jouke thuis kwam, wou-ie geen woord spreken. Z n wijf dacht, dat-ie dronken van het ijsfeest te Heeg kwam. Maar Jouke lag te klappertanden of-ie de koorts had.

„Hij heeft later nooit willen toegeven, dat-ie om ’t hardst gereden had met z’n eigen schaduw.”

; En van Wibbe Visser heb je ook nooit gehoord. Die

wachtte altijd tot t ijs op de meren ging kisten; dan kwam-ie uit z n schuur; hij had een paar dood-gewone schaatsjes an, die de smid voor m moest scherpen. Hoe breder de scheur door ’t ijsveld liep, hoe liever Wibbe ’t had; hij nam ’n korte afzet, en dan sprong hij over de wijdste scheuren heen. Eens, dat z’n burgemeester ’t ’m verboden had, omdat d e bang was voor n ongeluk vroeg of laat, stond Pier, de veldwachter, aan de overzij van de scheur op ’m te wachten; d r lag wel vier meter water tussen. Wat doet Wibbe? — hij klauwt recht-an op de plaats, waar Pier op ’m staat te loeren;

Sluiten