Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En nu: vooruit, de dag is kort,

Ten storm op ’t weerloos Geuzen-fort, Met roeren en rapieren!

Vooruit, en stampend in ’t gelid,

Aleer de zon gedoken zit,

Zult ge om hun lafheid gieren Bij Spaanschen wijn en lieren!”

Zóó sprak hij van zijn hooge ros, Geweldig woei zijn vederbos, Angstwekkend als zijn brallen.

De krijgers loeiden van pleizier,

Zij zwaaiden ’t kletterend rapier,

Het Damrak en de wallen,

Zij trilden van ’t weerschallen.

En onder ’t schettren der trompet Werd toen de voet op ’t IJ gezet:

Voorop de hooge sleden,

Met zakken zand en stapels rijs,

Die als een schansmuur, over ’t ijs In breede linie gleden Tot dekking hunner schreden.

Daarachter, plan-plan-plan-ratteplan, De doodsverachtende krijgersman,

Met vieren in de rijen;

De hand aan ’t Geus-belagend roer,

En schuif’lend op den killen vloer,

In wankelen en glijen,

Verstijfd van knie en dijen.

En naast elk twintigste gelid,

— Den mond vol moed, de wangen wit Een luitenant, die tierde.

Sluiten