Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De degen flikkerde in zijn vuist,

Hij strekte wel-doordacht en juist Zijn voeten, de gespierde,

Totdat — hij glipte en zwierde.

Als dan zoo’n slanke Spaansche Don Zijn hielen toonde aan Hollands zon, Dein hoonden zijn kornuiten:

,, t Is beter van de lap geschranst,

Dan op haar eieren gedanst!

Wie kramp krijgt in zijn kuiten Mag ,„ ,neem-een-zetel!” ” fluiten!”

Zóó schreed Don Freeriks heerlijk heir, Het glipte, viel, verhief zich weer,

In zwoegen en in hijgen.

De vloot lag krakend en benard,

Het want was leeg, de romp was zwart, Een onheilspellend zwijgen Hing om elk schip te dreigen.

„De ratten renden uit het want Tot achter Broek-in-Waterland,

Om knollen te gaan eten!”

Een rosse vlam, een droge knal:

Een ronde, snelle, zwarte bal,

Van Kickuyts dek gesmeten,

Had in het ijs gebeten!

De splinters spatten glinst’rend op, Maar, met den kolder in den kop,

Stoof hij vooruit en aaide De voorste slede, als honingkoek,

Zóó minzaam aan den linkerhoek,

Dat haar bestuurder kraaide En driemaal ommedraaide!

Sluiten