Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE KUNSTCLUB

Er was besloten dat de vereniging de naam van „Kunstclub’’ zou dragen; dat er tweemaal in een jaar een uitvoering zou plaats hebben, waar wisten ze nog niet precies, en dat de eerste voorstelling in October zou zijn. Bij de eerste voorstelling zou een stukje uit één bedrijf vertoond worden, waarin zoveel mogelijk personen konden meespelen, en zou Jet een paar stukjes zingen. Een tableau-vivant zou een waardig slot van de avond zijn.

Weldra waren de repetities van de Kunstclub in volle gang. Jet deed niet mee in het comediestukje, dit nam te veel tijd, vond tante, ze zou alleen wat zingen. Men wilde opvoeren: „De meid, die tante gebuurd heeft”. Jeanne was de meid, of eigenlijk tante’s nichtje, die zich bij een jonggehuwd paar (Lien en ’t beige jongetje1), waarvan zij als heel lastig bekend staat, als meid komt verhuren om dan het bazige mevrouwtje per slot eens flink de les te lezen.

Noes had, nederig, de rol van de echte meid gevraagd, die slechts aan ’t eind een enkel woordje te zeggen heeft. Noes had nu eenmaal hoegenaamd geen talent voor comediespelen en berustte er in. Jeanne had er eigenlijk ook geen talent voor, maar iemand moest toch de hoofdrol hebben en ze zou haar uiterste best dan maar doen.

Adriaan, die wel stotterde, maar dit gebrek, wanneer hij niet meer behoefde te denken bij hetgeen hij sprak, zo goed als geheel kon maskeren, en nogal aardig acteerde (je zoudt ’t hem niet aanzien, vond Jet), zou de knechtsrol in ’t stukje vervullen, een vrij belangrijke post.

De repetities waren om beurten bij de verschillende families

*) n Spotnaam door Noes gegeven aan een mager, nietig ventje met een vaal, smoezelig teint. Noes zei: „Hij draagt een beige pak, *n beige hoed, beige slobkousen, beige handschoenen, beige haar en

heeft *n beige gezicht!**

Sluiten