Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan huis, en een bron van voortdurende dwaasheden, vooral in ’t begin, toen de een zich voor den ander geneerde en stijf deed uit angst zich te veel te geven.

Lien en ’t beige jongetje konden zich in de positie van echtgenoten nog maar slecht indenken en Jeanne dacht dat ze ’t bestierf, toen het arme jongetje (het kwam in ’t stuk te pas) zijn arm om haar heen moest slaan. „Gelukkig niet zoenen, maar daar had ik ook voor bedankt,” verkondigde ze preuts, en werd door Jet en Noes uitgelachen.

Meer en meer begonnen ze nu aan elkaar en aan hun rollen te wennen en ging de harkerigheid er wat af. De laatste repetitie was bij mevrouw Van Laer geweest, waar Jeanne in haar meidepakje (t stond haar doddig) en een coquet wit mutsje op ’t blonde haar, voor de grap zelf de voordeur opendeed. De mop ging heel aardig op, want niemand herkende haar voor ze begon te praten.

Om het programma wat aan te vullen, kwam men ten slotte overeen dat Noes, die toch zo weinig in ’t comediestukje te zeggen had, met Corry Berends een Duitse samenspraak: „die Wunderkinder” zou vertonen, ’t Was op muziek; ze hadden wel niet veel stem, maar dat kwam er minder op aan. ’t Beige jongetje zou de directeur zijn, die de „Wunderkinder” aan het publiek presenteert.

’t Was nog donker in de kleine zaal van ’t Nutsgebouw.

Alleen achter het neergelaten scherm was het volle verlichting. De bewuste Kunstclubavond was aangebroken, veertien dagen later dan ’t eerste plan was geweest, want men had op de bepaalde tijd onmogelijk klaar kunnen komen, ’t Was nu 28 October; eigenlijk wel goed, nu was ’t niet meer zo warm en men behoefde toch niet te stoken.

Er bestaat geen drukte, die de herrie achter de schermen overtreft, vooral bij uitvoeringen door dilettanten, en ’t was hier, omdat ’t de eerste keer was, in één woord onbeschrijflijk.

In de dames-kleedkamer heerste een wanorde, waar zelfs Noes

Sluiten